`Al in jaren vijftig Japans gebaar'

De keizer is weg, het tumult is uitgebleven en de Nederlands-Japanse relaties zijn goed. Dat was in de jaren vijftig ook al zo, zegt historicus B. van Poelgeest. De verbittering van de kampslachtoffers is iets van later.

Hij promoveerde als historicus op de Nederlands-Japanse betrekkingen van 1945 tot 1975. Zijn moeder zat van haar negende tot haar twaalfde in een Japans kamp op Java gevangen, verloor er haar vader en moeder en kwam na de oorlog met twee broertjes naar Nederland. En hij zat deze week naar een concert in de Amsterdamse RAI te luisteren in aanwezigheid van de keizer en keizerin van Japan.

Zijn moeder had hem wel gevraagd hoe het concert geweest was. Hij had de indruk dat het van haar allemaal niet zo hoefde. Vroeger sprak ze thuis wel over haar kampervaringen: wanneer de kinderen het eten niet lustten. Dan vertelde ze over stijfselpap. Soms kwamen er onverwachts gruwelijke details. Hij dacht toen: dat is bij alle kinderen thuis zo. Tot hij er achter kwam dat het iets buitengewoons geweest moest zijn – hoewel zijn moeder altijd nuchter en rationeel over haar kampervaringen vertelde, zegt hij nu.

Het proefschrift van de historicus B. van Poelgeest – ambtenaar bij Binnenlandse Zaken – verscheen vorig jaar onder de titel Japanse Besognes. Verbittering jegens Japan was er vreemd genoeg in de jaren vijftig helemaal niet, constateert hij daarin, tenminste niet openlijk. Alle aandacht richtte zich op Soekarno, niet op Japan. In 1953, tijdens het bezoek van Akihito als kroonprins aan Nederland, werden als Nederlands gebaar zelfs een paar oorlogsmisdadigers in Japan vrijgelaten, onder wie de generaal die in het bezette Nederlands-Indië verantwoordelijk was voor de gedwongen prostitutie: de troostmeisjes, zoals ze in het hedendaagse Japan eufemistisch worden genoemd.

Ook het unieke bilaterale akkoord tussen Japan en Nederland in 1956 werd in alle stilte gesloten. Toen maakte Japan een gebaar, hoewel het daartoe juridisch niet was verplicht, een gebaar op morele grondslag (zij het wel onder politieke druk), en keerde het 10 miljoen dollar uit (toen 38 miljoen gulden) aan de civiele geïnterneerden. Van Poelgeest zegt daarover in zijn werkkamer in Wassenaar: ,,Achteraf lijkt dat bedrag misschien niet groot, in die tijd was dat toch een slag anders. De mensen die het geld kregen waren vaak echt verbaasd.''

Die mensen waren de 100.000 `Europeanen'. De twee keer zo grote groep `Indo-Europeanen', die niet in kampen waren opgesloten (als ze voor meer dan de helft Indonesisch bloed hadden), maar die het volgens Van Poelgeest soms zwaarder hadden gehad (gemangeld tussen de Kempetai, de geheime Japanse politie, en de hun niet minder kwaad gezinde Indonesiërs) werden vergeten. Dat verklaart volgens hem waarom de verbittering onder vooral deze mensen, de `buitenkampers', groot is. Het waren veel van deze buitenkampers die deze week met `Pay your Debt'-bordjes stonden.

Hun verbittering uitte zich pas voor het eerst tijdens het bezoek van Akihito's vader, keizer Hirohito, nu bijna dertig jaar geleden. Sindsdien is er veel veranderd, zijn er veel meer publicaties over de Japanse bezetting verschenen, hebben de media er veel aandacht aan besteed, kwamen er speciale uitkeringen, een eigen herdenking, een monument, en is Japan rijk geworden. Een rijkdom die sommigen van de verbitterden yentekens in de ogen geeft, zegt Van Poelgeest.

Aan de `raciale' verklaring voor de verbittering van degenen die nu protesteren hecht Van Poelgeest weinig waarde `Europeanen' die opeens moesten buigen voor de keizer, gekrenkt werden door een Aziatische bezettingsmacht die de rollen compleet omdraaide. Deze mensen waren, afgezien van het gebrek aan belangstelling, volgens hem verbitterd doordat ze afscheid van Indië – hun paradijs op aarde – hadden moeten nemen (en van verloren familieleden). Ook daarom hadden de Indo-Europeanen meer reden tot verbittering dan de Europeanen: beide groepen werden uit Indonesië verdreven, zij werden bovendien uit hun vader- en moederland gezet.

De gevoelens – sinds 1971 specifiek gericht tegen Japan – gaan volgens Van Poelgeest verder dan het verlangen naar erkenning van het slachtofferschap. Ze worden nog steeds gevoed door het onbegrip in Nederland over het koloniale verleden, de onkunde daarover. Van Poelgeest: ,,Dat komt op deze mensen over als een gedeeltelijke ontkenning van hun bestaan.'' En dat doet pijn.

Omgekeerd verwijten sommige van deze mensen Japan, dat het zijn verleden verdoezelt alsof er niet al van alles in dat land gebeurd is aan excuses, fondsen, betere geschiedenisboeken, aandacht in de media en zo meer. Van Poelgeest: ,,Historisch onbenul is nu eenmaal niet exclusief Japans.''

    • Paul Friese