Zingen tegen de ouderdom

Fluitketelmuziek – in de Nederlandse poëzie heeft dat vaak met inspiratie te maken. Als het water zingt, de ketel op stoom raakt en de fluit zijn deuntje begint, is sinds Nijhoff de wording van een gedicht niet ver. In diens `Impasse' staat de dichter met zijn vrouw en muze in de keuken, haar vragend waarover hij moet schrijven. Dan volgt de befaamde wending:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,

haar hullend in een wolk die opwaarts

schiet

naar de glycine door het tuimelraam.

En hoewel Nijhoffs sonnet uitloopt op het antwoord `ik weet het niet', is het sonnet al geschreven (en gelezen).

Ik herinner me een ingenieus gedicht van Ad Zuiderent in de typografische vorm van een fluitketel met drie wolkjes stoom, elk op hun beurt weer een klein gedichtje voorstellend. Het heeft een vergelijkbare wending bij de fluit. In Jan Eijkelbooms juist uitgekomen bundel, Het arsenaal, eindigt een gedicht eveneens met een zingende fluitketel. Het speelt zich af in de ochtendschemering, als de dag nog niet op gang is gekomen. `Schraal buitenlicht komt/ schuchter en toch doelbewust binnen// als was het raam de deur. Het is een vriend/ van vroeger. Hij heeft je moeder nog gekend.'

Wie is die vriend? Er zijn hier verschillende mogelijkheden, maar het is vast ook het licht van de inspiratie, en daarmee het gedicht zelf, getuige de laatste regels:

Wacht tot de stilte oplicht, het zingen

van de ketel zich onherroepelijk

laat horen.

In deze lezing is onherroepelijk onherroepelijk omdat het zingen van de ketel in de vorm van dit gedicht gestalte heeft gekregen, net als bij Nijhoff. Maar vergis ik mij, wanneer de inspiratie hier als iets van vroeger wordt geschetst, getuige ook de titel van het gedicht, `Een vriend van vroeger'? Klinkt hier geen lichte aarzeling door over het eigen kunnen? We moeten niet vergeten dat deze dichter pas op zijn 54-ste debuteerde, met Wat blijft komt nooit terug, en nu, twintig jaar later aan zijn zesde (echte) bundel toe is. Zijn vorige heette Het lied van de krekel. De krekel verwees daarin naar de mythologische Tithonos, die op voorspraak van zijn minnares Eos, godin van de dageraad, het eeuwige leven had gekregen. Omdat het notariaat in die dagen nog in de kinderschoenen stond, vergat zij echter er de eeuwige jeugd bij aan te vragen, zodat de arme Tithonos uiteindelijk van ouderdom tot een krekel verschrompelde. Een grauw insect, maar wel met een ferm stemgeluid – precies zo ging het er bij Eijkelboom aan toe. Nu in het gedicht `Een vriend van vroeger' tijdens de dageraad de ketel zingt, hoor je in dit lied van de ketel onmiskenbaar het lied van de krekel terug.

Doorzingen ondanks de ouderdom, dat is dus wat hier weer gebeurt, zij het met meer haperingen dan in de vorige bundels van Eijkelboom. Het gedicht waaraan Het arsenaal zijn titel ontleent, `Nikè', begint zo:

Het arsenaal raakt leeg.

De grote kanonnen zijn weg,

doen elders dienst misschien

In de tweede helft droomt dit gedicht weg en wordt het toch weer poëzie, terwijl in het erop volgende vers over mist en nevel opnieuw de uitblijvende inspiratie wordt herwonnen: `en laat toch in 't voorbijgaan weten/ dat wij nog niet, nog lange niet/ zijn uitgekeken.'

Ik heb wel eens mijn twijfels bij deze constatering als ik Het arsenaal lees. Waar het werk van Eijkelboom al nooit een vuurwerk van jeugdig elan was, en het vooral moest hebben van sadder and wiser, valt langzamerhand een zekere kleurloosheid op. Niet alleen letterlijk en ongetwijfeld bewust, wanneer de dichter bij een treinreis als schilder `gebrek aan kleur op linnen [wil] bewaren' en elders sjerpen verbleekt zijn en smaragd stoffig is. Ook zijn idioom doet wat aan die sjerpen denken, met woorden als `weemoed', `einder', `rijwiel', `eeuwig', `onsterflijk' en `najaarsnevel'.

In `De rand van de tafel' krast een kind in een bundel `die je had opengelegd/ bij een wonderlijk mooie passage.' En hij sluit af:

Ach, de dichter zelf zal ook

het nodige hebben geknoeid

eer hij dacht dat het af was.

Met dat `Ach' zakt zo'n gedicht als een mislukte soufflé in elkaar. Relativerend schouderophalen heeft nog nooit een goede regel opgeleverd. Een dergelijke passage doet mijn handen jeuken – het krassende kind of de zuchtende dichter die dat boek laat slingeren, één van beiden verdient een lel.

Toch is Het arsenaal geen mislukte bundel, al was het maar om Eijkelbooms immer onweerstaanbare melancholie met dan ook nog af en toe de opklaring van een goed beeld of een verrassend vers. `Verzoening met een berk' bijvoorbeeld, dat mooi eindigt: `Al in augustus strooit zij gele/ lovertjes in 't rond. Hartje winter/ zal de sneeuw voor haar vallen.' En als hoogtepunt een grappig gedicht over twee parende struisvogels dat al met een prachtig beeld opent waarin het mannetje het vrouwtje achterna zit:

Zwenkend en zwaaiend, met

klapwiekende

vleugels – een jongen die vliegtuigje

speelt – lijkt hij zomaar te gaan

Er spreekt een vreemd soort tederheid uit de parende vogels, die je overrompelt door het contrast met het dierentuinpubliek: `De soort die meer het pompen is toegedaan/ kijkt het met open monden aan' om even later in applaus uit te barsten als plotseling

de vogels opwippen en op hoge poten

in elegante deining elk een andere

kant op gaan. De ieder dier

toegeschreven tristesse

na afloop is hier

voorbeeldig

afwezig.

Voor deze struise dieren gaat het post coitum omne animal triste niet op. Omdat ze niet pompen, kunnen ze daarna kennelijk nog deinen. Daar mogen we een voorbeeld aan nemen zegt de dichter tot anderen en zeker ook tot zichzelf. Het is bovendien letterlijk een voorbeeld in de zin van voorpret in plaats van een nabeeld dat smoort in melancholie. Hier klinkt plotsklaps een verbluffend duet op van krekelzang met ketelgefluit, tot in de glycine (blauweregen) achter het tuimelraam.

Jan Eijkelboom: Het arsenaal. Gedichten.

De Arbeiderspers, 47 blz. ƒ29,95