Viva Verdi

Verdi's opera's bevatten meesterlijke muzikale vindingen, maar in Giuseppe Verdi's eigen tijd werden zijn liederen op straat gezongen als verzetsdaad.

`Ik ben een boer', typeerde Verdi zichzelf. In la Bassa, een moerassig, wat spookachtig deel van de Povlakte, voelde deze zoon van een analfabete herbergier en een spinster zich thuis. Er was ook een wat jonger zusje, mooi maar achterlijk, dat op haar zestiende stierf en innig door Giuseppe werd liefgehad. Op vijftienjarige leeftijd deed hij voor het eerst van zich spreken door de uitvoering van zijn Sinfonia in het bescheiden theater van Busseto in de streek Emilia Romagna. In deze omgeving deed hij eveneens de voor operacomponisten weinig gebruikelijke affiniteit op met harmonie-orkesten en volkse, ongepolijste dansmelodieën, die in latere werken als Il Trovatore zou blijven doorschemeren. Als geen ander slaagde hij erin om de couleur locale van het dorpsplein ongeschonden over te brengen naar het theater, wat zijn muziek een grote mate van directheid en oprechtheid verleent.

Naar deze boer reisde in april 1870 de vermaarde egyptoloog Auguste Mariette. Namens de Khédive, de in Kairo residerende onderkoning, benaderde hij Giuseppe Verdi (1813-1901) voor het componeren van Aida, het verhaal van de Ethiopische slavin en haar liefde voor de Egyptische legerofficier Radamès. Mocht Verdi niet geïnteresseerd zijn, dan was Charles Gounod een alleszins acceptabele tweede keus. En als deze eveneens zou weigeren, dan zou Richard Wagner ,,wellicht tot iets groots in staat zijn'. Een Khédive met een neus voor opera, kortom.

Verdi deed geen gelegenheidswerkjes. Bij een eerder verzoek had Verdi er niet voor gevoeld om een hymne voor het operahuis van Kairo te schrijven dat in 1869, tegelijk met het Suezkanaal, werd geopend. In plaats daarvan klonk zijn opera Rigoletto op de openingsavond. Maar ditmaal was Mariette zo slim geweest om de brief met aanbevelingen van de onderkoning quasi onachtzaam tussen de bladzijden van de synopsis te laten steken. Verdi zag in Aida ,,een uitstekend idee in scenisch opzicht, weliswaar niet erg vernieuwend, maar met twee of drie passages die mogelijkheden boden.' Hij toog aan het werk met librettist Antonio Ghislanzoni, in december 1871 klonk Aida voor het eerst. Sindsdien sterft de slavin avond aan avond haar vrijwillige dood door opsluiting in Radamès' graftombe, in operahuizen over heel de wereld.

Verdi's beschrijving van zichzelf als boer klopte, maar gold slechts wanneer hij zich terugtrok op zijn landgoed Sant'Agata, om in de pastorale rust gestaag te kunnen componeren. Een groot deel van zijn leven bestond uit een karavaantocht langs operahuizen, van St. Petersburg tot Buenos Aires, waar hij zijn stukken zelf dirigeerde en ensceneerde. Naast boer en cosmopoliet was hij tevens verzetsheld. Op latere leeftijd werd hij lid van de volksvertegenwoordiging.

Toen Nabucco op 9 maart 1842 in première ging in de Scala in Milaan zat Verdi, zoals te doen gebruikelijk, in de orkestbak. In de buurt van de cellisten wachtte hij de respons van het publiek af. Het was weliswaar niet zijn eerste opera, maar de opdracht van dit vermaarde huis was wel zijn eerste schrede voorbij het provinciale.

Tijdens de eerste twee aktes werd het al rumoerig en onrustig in de zaal. Verdi hield de toejuichingen nog voor blijken van afkeuring. Maar bij het Va, pensiero, sull'ali dorati, het Hebreeuwse slavenkoor dat vol heimwee en verlangen het vaderland bezingt, begon men de tent af te breken. De zaal raakte uitzinnig en zong spontaan mee. Er kwamen ordetroepen aan te pas.

De beroering was niet alleen ontstaan door de trefzekere, uit goddelijk hout gesneden melodiën, of de lyriek waar men zich sinds Mozart en Rossini niet meer in had kunnen verheugen. Het had vooral te maken met een manier van kijken, een manier van kijken waar wij niet meer echt gewend aan zijn. Het Milanese publiek had haarfijn in de gaten dat Nabucco eigenlijk helemaal niet ging over het joodse volk in ballingschap, dat onder de knoet zat van koning Nebukadnezar. Het ging over henzelf. Ook zij zuchtten onder een vreemde monarch, want Italië werd deels overheerst door Frankrijk en Oostenrijk. Ook zij verlangden naar vrijheid. Va, pensiero werd op slag het lijflied van de Risorgimento, de eenheidsbeweging onder leiding van Garibaldi. Men hoefde er niet voor naar het theater om het te horen, het werd overal op straat gezongen.

In het voormalige Oostblok verstonden ze deze kunst van het interpretatieve waarnemen van betekenislagen eveneens. Daar kon men een cinematografisch epos over Karel de Vijfde aanschouwen, zonder ook maar één subtiele referentie te missen naar Stalin, het eigenlijke onderwerp van de film. Nu de Muur is geslecht, is de magie van het subversieve uit de waarneming verdwenen en kijkt men er net als wij. Wij zien een oude koning en denken: `Goh, goede acteur'.En zelfs als we weten dat het over Stalin gaat, dan is er nog niet de schok van de herkenning die ons hart voor een moment sneller doet kloppen. Kunst is voor ons een beleidsinstrument, een produkt met specifieke eigenschappen, net als tandpasta. Het is tragisch maar waar: kunst gedijt het beste onder een dictatoriaal regime. Pas dan heeft het een functie die het decoratieve, het behagend tijdverdrijvende en de persoonlijke beleving werkelijk overstijgt. Democratie maakt softies van de mensen, kunstenaars incluis. Tegelijkertijd wordt het dagelijks leven merkbaar door democratie veraangenaamd. Het blijft dus schipperen tussen prettig leven en goede kunst.

Het is overigens de vraag of Verdi de Oostenrijkse censuur met Nabucco bewust een loer wilde draaien. Zijn impresario Merelli moest aanvankelijk soebatten om hem enig enthousiasme te ontlokken voor het libretto van Temistocle Solera. Maar nadat Verdi door het Italiaanse volk tot `Vader der Koren' was benoemd, kreeg hij de smaak te pakken. I Lombardi (1843) is min of meer een replica van Nabucco, het Va, pensiero heet hier O signore, dal tetto natio. Later schrijft hij La battaglia di Legnano, dat herinnert aan de eerste overwinning van de Lombarden op de Duitse keizer en Un ballo in maschera (1859), gesitueerd in de Verenigde Staten ten tijde van de Engelse overheersing. Ook hier had de goede verstaander aan een half woord genoeg. De maatschappelijke turbulentie droeg bij aan de ongekende populariteit van Verdi's opera's, en vice versa. In het theater laafde men zich aan de gepassioneerde klankenrijkdom, daarbuiten werden de koren strijdliederen, een uitlaatklep voor het verlangen naar vrijheid.

`Viva Verdi!', kalkte men op de muren, als de patrouilles uit het zicht waren. Daarbij moet worden opgemerkt dat `Verdi' niet alleen staat voor de componist maar ook voor `Vittorio Emanuele Re D'Italia', de beoogde koning van de eengeworden natie. Dat is nu weer het nadeel van een denken in metaforen, verwijzingen en subplots: het leidt tot begripsverwarring. Péter Esterházy toont in zijn Kleine Hongaarse Pornografie (1984) wat er gebeurt als geleidelijk aan niets meer een letterlijke betekenis heeft, maar nog slechts een codewoord vormt voor iets anders. Er treedt een totale corrosie van de taal op.

,,Een van mijn minst slechte opera's', luidde Verdi's oordeel over Aida. Dat is waar voor zover het de muziek betreft. De eerste akte is nog maar drieëndertig maten onderweg of we belanden in Radamès' aria Celeste Aida. Als Verdi's muziek iets aantoont, dan is het wel dat het een grove simplificatie van de werkelijkheid is om opera als een elitekunst te beschouwen. Veel verder dan enige toonvastheid en een goed betegelde badkamer reiken de basisvoorwaarden om een geslaagd Verdi-zanger te worden niet. Zing het liefst luidkeels, bij het inzepen. De buren zullen vertederd glimlachen en beslist niet met een bezemsteel tegen het plafond gaan bonken.

`In de tijd van de heerschappij van de farao's', staat er boven de partituur van Aida. De heerschappij van de farao's besloeg een periode van meer dan tweeduizend jaar, een aanduiding waar je dus veel kanten mee op kan. Het oude Egypte noodt de verbeelding tot exotisme zo lijkt het, wat maakt dat Aida wel iets weg heeft van Die Zauberflöte van Mozart en Schikaneder. Aida kent een merkwaardige spanning tussen de bordkartonnen dimensieloosheid van het libretto en de soms alarmerende complexiteit van de muzikale expressie. Zelden is een flutverhaal van zulke goede muziek voorzien. Dat maakt het zo'n intrigerend stuk.

Verdi's boertige karakter verhinderde hem lange tijd de toegang tot de meer verfijnde Parijse kringen. Zijn opera's kregen er aanvankelijk weinig voet aan de grond. Les Vêpres Siciliennes (1855) schreef hij voor de Parijse opera, maar het publiek was weinig gecharmeerd van de onvoorstelbare hoeveelheid lijken die er aan het eind van de oorspronkelijke versie van het stuk over de bühne verspreid lagen. Een boel Siciliaanse patriotten, een heel regiment Franse soldaten. Vooral dat laatste sloeg men beteuterd gade. Als het om groots spektakel met veel toeters en bellen ging, had men liever Robert le Diable of L'Africaine van Giacomo Meyerbeer (1791-1864). Aida bracht hierin verandering.

Wie de muziek van Verdi wil horen van zo dicht mogelijk bij de bron, moet de stokoude platen van Enrico Caruso (1873-1921) beluisteren. Deze negentiende telg uit een gezin van eenentwintig kinderen geld als het prototype van de Napolitaanse tenor. Hij was in zijn tijd een zeer verdienstelijke Radamès, waarvan rond 1905 opnames gemaakt zijn. Door de gebrekkige techniek knettert er op de achtergrond voortdurend een haardvuur mee, maar daardoorheen ontwaart men een onverklaarbaar geschenk van de natuur. Niets dan nobele elegantie. Het tempo zwalkt lichtjes, zich voegend naar de fraseringen van de stem, die een euforie teweegbrengt die je naar het hoofd stijgt als na een paar glazen wijn.

Shakespeare was Verdi's grote passie. In de opera's gebaseerd op diens toneelstukken, liefst vervaardigd in samenwerking met zijn favoriete librettist Arrigo Boito, was hij op zijn best en bereikte hij de meeste diepgang. In Macbeth (1847), Otello (1887) en Falstaff (1893) is de rijkdom van de tekst in perfecte balans met die van de muziek. Deze partituren zijn ook het meest gedetailleerd. Ze bevatten talloze kleine maar meesterlijke vindingen, zoals het lage orgelclusterje aan het begin van Otello, dat ronkt als een gammele airconditioner. Het veroorzaakt onrust, meteen aan het begin van het stuk, en blijft drieënvijftig pagina's lang een merkwaardig soort stoorzender vormen. Bij uitvoeringen wordt dit vaak weggemoffeld, of zelfs geheel achterwege gelaten, omdat men niet goed weet wat ermee aan te vangen. Falstaff, gebaseerd op The Merry Wives of Windsor en Henry IV, vormt het afscheid van het theater van de dan tachtigjarige Verdi. Het was zijn eerste komische opera. Critici hadden hem veelvuldig verweten niet in staat te zijn tot het schrijven van strikte vormen. Het stuk eindigt met een strenge fuga op Tutto nel mundo è burla. Het leven is een grap.

`Aida' van Giuseppe Verdi, regie Klaus-Michael Grüber, vanaf 31 mei in het Amsterdamse Muziektheater, door De Nederlandse Opera en het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly. Alle voorstellingen zijn uitverkocht, wel kan bij het kassa-bespreekbureau van het Muziektheater worden geïnformeerd naar het volgnummersysteem: 020-6255455.

Samen met de NPS verzorgt het Holland Festival twee openlucht-vertoningen op groot scherm op 22 en 25 juni in het Oosterpark, Amsterdam.

    • Rob Zuidam