Vergunningenstelsel voor media is een stap terug

Het briefgeheim moet volgens een recent advies van de commissie-Franken worden vervangen door het `recht vertrouwelijk te communiceren'. De bestaande rechtsbescherming kan beter worden uitgebreid met de nieuwe media, in plaats van te worden ingeruild voor zo'n nieuw en onbestemd begrip, vindt F. Kuitenbrouwer.

Internationaal gezien is er steeds ,,minder aandacht voor het waarborgen van fundamentele waarden en normen zoals de grondrechten in een elektronische omgeving''. Zo verzucht minister Korthals (Justitie) in een recente notitie over de Nederlandse inzet bij de vele vormen van internationaal overleg waartoe internet leidt. Toch roept dit voortdurend fundamentele vragen op, variërend van het optreden van `cyberpolitie' tot de `cookies' die websites ongevraagd aanbrengen in de personal computers van gebruikers.

Nee, dan Nederland. Daar heeft het kabinet een speciale commissie ingesteld die deze week een lijvig rapport produceerde over grondrechten in het digitale tijdperk. De commissie onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar informaticarecht H. Franken giet de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het communicatiegeheim in een nieuw technologiebestendig jasje met als extra een nieuw recht op overheidsinformatie.

De aanleiding tot het instellen van deze commissie was overigens minder hooggestemd. Een poging van het vorige kabinet om het bestaande brief-, telefoon- en telegraafgeheim in de Grondwet opnieuw te formuleren was uitgedraaid op een spaghettischotel met allerlei losse einden, zoals Franken het uitdrukte bij de presentatie van het rapport. Dat is vriendelijk gezegd, want het grote bezwaar tegen de nieuwe grondwetsbepaling was dat het een stap terug was in plaats van een stap vooruit.

De commissie-Franken heeft een manmoedige poging gedaan de omstreden grondwetsbepaling te stroomlijnen. Het gaat niet meer om de bescherming van de brief of van de telefoon, maar om een algemeen `recht vertrouwelijk te communiceren', dat niet alleen een brief of telefoongesprek omvat maar ook iedere vertrouwelijke mondelinge conversatie. Inbreuken zijn alleen mogelijk met machtiging van de rechter (of de regering in geval van de staatsveiligheid).

De kneep blijft het begrip vertrouwelijk. Dat is een relatief begrip. Bepalend voor de praktijk is of burgers een gerechtvaardigde verwachting kunnen hebben dat hun conversatie een vertrouwelijk karakter heeft. De uitslag hangt er maar vanaf hoe verschillende maatschappelijke relaties van geval tot geval worden gewaardeerd. Er zijn buitenlandse precedenten dat dit lelijk kan tegenvallen. Wat men ook van het ouderwetse briefgeheim kan zeggen, deze term laat weinig onduidelijkheid over de aard van het beschermde belang.

De vraag blijft dan ook waarom de bestaande rechtsbescherming niet wordt uitgebreid met de nieuwe media in plaats van te worden vervangen door een nieuw onbestemd begrip. Dus: het briefgeheim wordt gehandhaafd maar uitgebreid met het geheim van email, enzovoorts. Aangezien de techniek zich sneller ontwikkelt dan de Grondwet kan bijhouden, is een vertragingseffect onvermijdelijk. Maar het voordeel is zekerheid, het niet weggooien van oude schoenen voor onbeproefde stappers.

Deze afweging geldt ook voor het loslaten van de klassieke vrijheid van drukpers als ijkpunt van de informatievrijheid. De nieuwe, technologie-onafhankelijke formulering die de commissie voorstelt heeft ongetwijfeld voordelen. Zo wordt niet alleen de vrijheid informatie te doen uitgaan erkend maar ook de vrijheid deze te ontvangen. De `ontvangstvrijheid' is in Nederland een verwaarloosd aspect, zoals de Amsterdamse hoogleraar J.M. de Meij al lang betoogt. De kabelnetten zijn een actueel voorbeeld.

Er is echter ook een prijs en deze zit in de beperkingen op de vrijheid die de commissie-Franken wil toestaan. Zij zegt niet in te zien waarom er niet een vergunningenstelsel voor persorganen – of journalisten – zou kunnen worden ingesteld. Dit is geen modernisering van de Grondwet maar het terugzetten van de constitutionele klok met meer dan een eeuw – of meer.

Het wordt helemaal griezelig doordat de commissie een afzonderlijke zorgplicht van de overheid bepleit voor `de pluriformiteit van het informatie-aanbod'. Deze plicht omvat de bevoegdheid regels te stellen voor `publieke mediadiensten' – inclusief dagbladen en tijdschriften. In 1983 deed het CDA nog een poging de gedrukte media gelijk te stellen met het toen al achterhaalde stromingsbeginsel van de omroep. Verzuiling in het internettijdperk, het is te gek voor woorden.

De commissie is ook inconsequent. Zij wijst grondwettelijke erkenning van de vrijheid van nieuwsgaring af: ,,Gezien de variëteit van activiteiten waarin de garingsvrijheid zich kan uiten, valt niet goed te overzien welke beperkingsmogelijkheden dan nodig zouden zijn.'' Maar geldt dat dan niet voor de ontvangstvrijheid die wel wordt erkend?

En dan het derde grondrecht, privacy. Dat is in 1983 in de Grondwet gekomen en voldoet volgens de commissie redelijk. Daar valt weinig tegenin te brengen. De commissie mist echter wel een kans. Privacy is een defensief recht, het afschermen van persoonsgebonden informatie. Dat is de historische kern, maar deze mist in toenemende mate aansluiting met het offensieve gebruik van persoonlijke informatie.

Deze dimensie noopt tot het erkennen van een grondrecht op `informationele zelfbeschikking'. Dat is reeds gebeurd in een niet onbelangrijk land als Duitsland en is het thans een voornaam onderwerp van het debat over een Handvest voor de mensenrechten binnen de Europese Unie. In een recente nota over de elektronische relatie overheid-burger spreekt de verantwoordelijke bewindspersoon Van Boxtel over een `recht op regie over de eigen persoonsgegevens'.

De invulling van dit recht is nog onderwerp van een verkenning, maar aan het bestaan ervan hoeft kennelijk niet te worden getwijfeld. De commissie-Franken wil er niet aan, ook al vormt het zelfbeschikkingsvraagstuk een belangrijke wissel in het vertrouwen naar de komende informatiemaatschappij.

Tot slot een Declaration of interest, zoals dat zo mooi heet in het Angelsaksische idioom. Vorig jaar nam ik deel aan een commissie van de Vereniging voor Media- en Communicatierecht (VMC) die een proeve van digitale grondrechten ontwierp en voorlegde aan haar najaarsvergadering. De technologie-onafhankelijke formulering die de overheidscommissie heeft gekozen was ook daar een richtsnoer.

Er is echter een belangrijk verschil, namelijk het criterium van `constitutionele rijpheid' dat voorzitter Franken bij de presentatie van zijn rapport terecht tot leidend beginsel nam. Er is een verschil tussen een discussie onder vakjuristen en een voldragen voorstel tot grondwetsherziening. Het rapport-Franken vormt een gewichtige bijdrage tot een reëel debat. Voor wijziging van de Grondwet is méér nodig.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.