Toch figuratief

Het Museum of Modern Art in New York laat zien dat de verguisde figuratieve kunst van de afgelopen eeuw niet onderdeed voor het modernisme.

Het werd altijd zo keurig en overzichtelijk getoond, de twintigste eeuwse kunst in het New Yorkse Museum of Modern Art (MoMA). Stroming bij stroming en min of meer chronologisch. Van die vaste opstelling is nu niets meer over. Onder de overkoepelende titel Making Choices toont het MoMA deze zomer 24 verschillende exposities tegelijk en daarmee lijkt het een record te hebben gevestigd. De vaste presentatie ging vorig najaar al op de helling voor de mega-tentoonstelling Modern Starts waarin de kunst uit de periode 1880-1920 werd geëxposeerd. De 24 exposities die nu open zijn, zijn gericht op de kunst van ongeveer 1920 tot 1960, allemaal met een eigen thema. In de herfst is, onder de titel Open Ends, de kunst van de laatste veertig jaar aan de beurt.

Bij de totstandkoming van Making Choices werden alle afdelingen van het MoMA betrokken. Er zijn architectuur-, design- en foto-exposities, tentoonstellingen van schilder- en beeldhouwkunst, van tekeningen en prenten en er zijn ook films te zien. Soms zijn verschillende uitingsvormen binnen één enkele expositie samengebracht, zoals bij de tentoonstelling over het thema War, waarin schilderijen, tekeningen, foto's en prenten de twee wereldoorlogen, de koude oorlog of de oorlog in Vietnam oproepen. Het thema Oorlog is een van de weinige thema's die niet ontleend zijn aan de kunst zelf, maar aan de buitenwereld. Dat blijkt niet goed te werken. Bij deze tentoonstelling zit het thema de kunst in de weg. Als kijker ga je onwillekeurig elk werk toetsen op het `oorlogsgehalte': Zijn de kleuren somber? Wordt er geschoten? Wordt de oorlog toegejuicht of als iets afschrikwekkends getoond? Na een tentoonstelling als War ben je opgelucht als je vervolgens belandt in de expositie The dream of Utopia/Utopia of the dream, waarin het idealisme van de abstracte en surrealistische kunstenaars uit de eerste helft van de eeuw aan de orde wordt gesteld. Een dergelijk thema staat ook niet los van de buitenwereld, maar het is ingegeven door het streven van de kunstenaars zelf en daardoor is het minder opdringerig. De schilders van De Stijl, zoals Mondriaan en Van Doesburg, wilden met hun geometrische composities een bijdrage leveren aan een evenwichtiger maatschappij. Hun kunst was een uiting van hun utopisme en dat gold ook voor de kunstenaars die aan het Bauhaus waren verbonden, of - op een andere manier - voor de surrealisten die met hun verbeeldingen van het onderbewuste en van de droom de mensheid wilden bevrijden uit de banden van het rationele. Een thema als The dream of Utopia geeft aan dat alle kunstenaars die hier zijn samengebracht gedreven werden door idealisme, maar daar houdt het mee op. Kijkend naar hun kunst ben je al gauw geneigd zo'n thema te vergeten en dan zie je ineens een heel andere expositie. Je ziet hoe de abstracte kunst via De Stijl, de Russische Constructivisten, Bauhaus-kunstenaars als Moholy-Nagy, Kandinsky en Klee, steeds vrijere en lossere vormen aanneemt en zo uitkomt bij de bizarre, surrealistische scheppingen van Miró en Tanguy bij wie geen rechte lijn meer te bekennen valt. Kunsthistorisch is het waarschijnlijk niet verantwoord om de abstracte kunst op deze manier te bekijken. De ontwikkeling ging niet van recht naar krom naar grillig, het stond naast elkaar en het kwam uit verschillende geesteshoudingen voort. Maar het is wel verrassend om het eens zo onorthodox geëxposeerd te zien en ook om te ervaren dat de afzonderlijke werken het kunnen hebben. De houtconstructies van Vantongerloo, de subtiele emaille-composities van Moholy-Nagy of de intuïtieve kronkels van Miró - uit welk maatschappelijk idealisme ze ook voortkwamen, alleen al door hun bestaan is de wereld er beter op geworden.

Boodschap

Een enkele tentoonstelling gaat gepaard met een boodschap. Zo wil de expositie How simple can you get? er inhameren dat een kunstwerk meestal gecompliceerder is dan het op het eerste gezicht lijkt. How simple can you get? gaat ondermeer over de `stripped down abstraction' van Amerikaanse schilders als Jasper Johns, Ellsworth Kelly en Robert Ryman uit de jaren vijftig. Jasper Johns' Green Target (1955) lijkt misschien een minimalistisch, groen schilderij waar verder weinig mee aan de hand is, maar het is een verraderlijk werk. Door de concentrische cirkels die Johns in de verf aanbracht is het doek tegelijk een schietschijf, een soort dada-object, want er mag uiteraard niet op worden geschoten. De bewogen schildertrant op een ondergrond van krantencollages verwijst naar het Amerikaanse abstract-expressionisme en het onderwerp, de schietschijf, heeft niet alleen dadatrekjes, maar in zijn banaliteit ook al iets van de latere Pop-art.

How simple can you get? mag in zijn belerendheid een uitzondering zijn in het MoMA, toch draagt Making Choices als geheel wel degelijk een boodschap uit. Als de 24 tentoonstellingen samen iets duidelijk maken, dan is het dat de beeldende kunst van de vorige eeuw meer was dan een serie elkaar afwisselende avant-gardes, meer dan een reeks van `mainstreams'. De betekenis van de avant-gardes, van het twintigste eeuwse modernisme, wordt in het MoMA sterk gerelativeerd. In een van de drie catalogi bij de exposities wordt zonder omhaal gesteld dat het MoMA nooit een museum van het modernisme was, maar een museum van moderne kunst. Het eerste werk dat na de oprichting van het MoMA in 1929 door directeur Alfred Barr werd verworven, was het schilderij House by the Railroad (1925) van de anti-modernist Edward Hopper.

De Newyorkse paus van het modernisme, de criticus Clement Greenburg, mocht in de jaren veertig en vijftig nog zo hard betogen dat een schilderij niet meer is dan verf op een plat vlak en dat `de abstracte kunst de enige is die naar een oceaan stroomt', Barr, die tot 1968 directeur bleef, had een minder benepen kijk op de kunst. Zo kocht hij in 1948 naast Jackson Pollock's `drippainting' Number 1 ook het realistische schilderij Christina's world (1948) aan van de Amerikaanse schilder Andrew Wyath. Een grotere tegenstelling dan tussen deze twee doeken is nauwelijks denkbaar. Wyeth wilde `onzichtbaar' schilderen zodat de kijker zich geheel op de voorstelling kon concentreren en niet door verfstreken werd afgeleid. Bij de doeken van Pollock was de manier waarop ze gemaakt waren - het spetteren met verf - juist cruciaal. Ook in de jaren vijftig bleef Barr naast bijvoorbeeld het werk van de Amerikaanse abstract-expressionisten veel figuratieve kunst aankopen.

Making Choices toont de kunst uit het tijdvak 1920-1960 als een heterogeen geheel. Het laat zien dat de ontwikkelingen naast, maar ook door elkaar plaatsvonden, dat één en dezelfde kunstenaar - bijvoorbeeld Picasso - deel kon uitmaken van een avantgarde om zich daar vervolgens tegen af te zetten en dat andere kunstenaars, als Andy Warhol, heen en weer hopten tussen avant-garde en traditie.

Het werk van modernisten en anti-modernisten loopt in een aantal exposities door elkaar heen, in andere is het thema strakker en gericht op bepaalde stromingen of fenomenen in de kunst. Onder de noemer Raw and Cooked is naieve en quasi-naieve schilderkunst samengebracht. Ernst, Klee, Picasso, Rousseau en andere stilistisch uiteenlopende kunstenaars tonen welke malle of navrante fantasieën het menselijk gelaat zoal kan oproepen. In de tentoonstelling Useless science zijn alle kunstwerken door de technologie geïnspireerd, van Calders Universum (1934), een constructie van buisjes, draden en bewegende bolletjes, tot Panamarenko's Vliegend object (1969). Deze knutselaars van bizarre machinerieën hadden geen avant-garde nodig om origineel te zijn.

Duister

De grootste van de 24 tentoonstellingen in het MoMA, Modern Art despite Modernism, laat zien dat de figuratieve kunst tussen 1920 en 1960 beslist niet onderdeed voor het modernisme, hoezeer die kunst destijds ook werd verketterd als zijnde `conservatief' en `overleefd'. De expositie geeft ook aan hoe oneindig gevarieerd de figuratieve kunst uit de twintigste eeuw was. Er waren weliswaar duidelijke stromingen, zoals de Duitse Nieuwe Zakelijkheid, maar er waren vooral individuen die binnen het figuratieve een persoonlijke stijl wisten te ontwikkelen. Schilders als Balthus, Bacon en Morandi, alledrie in de expositie, zijn daar voorbeelden van, maar zo zijn er veel meer.

De expositie begint vlak na de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog was voor veel kunstenaars aanleiding zich af te keren van de kubistische, expressionistische en abstracte vormexperimenten. De aanblik van een kanonsloop was voor de kubist Juan Gris een reden om voortaan `weer te kijken naar de realiteit'. De Duitse expressionist Otto Dix, die aan het front had gevochten, kwam tot de conclusie dat de werkelijkheid niet zo kleurig was als in de expressionistische schilderkunst, maar duister en ondoorgrondelijk en die werkelijkheid wilde hij onverbloemd tonen. Voor de Amerikaan Marsden Hartley was de oorlog, waar hij in 1915 uit terugkeerde, eveneens aanleiding om zijn experimentele schildertrant af te zweren en zich te concentreren op een zwaarmoedig, expressionistisch getint realisme. Van Hartley hangt een aangrijpend schilderijtje op de tentoonstelling van een paar afgetrapte soldatenschoenen, Boots (1941).

Het door Stalin in de Sovjet-Unie verordonneerde socialistisch-realisme wordt niet getoond, het nazi-realisme evenmin. Dat soort kunst is door het MoMa nooit aangekocht. Er hangt wel werk van de Amerikaanse Regionalisten, schilders die in de jaren dertig tot een eigen, Amerikaanse versie van het sociaal-realisme kwamen. Het leven van boeren en arbeiders werd door hen niet verheerlijkt, zoals in de Sovjet-Unie of nazi-Duitsland, maar uit hun schilderijen spreekt wel een grote betrokkenheid bij het alledaagse bestaan dat ze weergaven. De doeken van kunstenaars als Ben Shahn of Grant Wood ontberen dan ook de distantie die het werk van hun tijdgenoot Hopper zo melancholiek maakt.

Misschien om aan te tonen dat niet de abstracte, maar juist de figuratieve kunst van de vorige eeuw uitmondde in een oceaan van mogelijkheden, overschrijdt de expositie de grens van 1960 en loopt door tot in de postmoderne jaren tachtig, toen de figuratie niet alleen in de schilderkunst maar ook in foto's en video's weer opbloeide.

Eén kunstenaar marcheert in het MoMA eigengereid door verschillende van de 24 exposities, Picasso. Dat is niet verbazend. Opvallend afwezig, op een enkel werk na, is Marcel Duchamp. Ook dat is niet verbazend. Zijn grote wapenfeiten, de `ready-mades' dateren tenslotte van voor 1920. Maar af en toe duikt Duchamp op zijn onnavolgbare manier onverwacht op: in een tekening van Joseph Stella die hem in 1920 als een ongenaakbaar, mythisch wezen portretteerde. En op een schitterende foto van Irving Penn (1948), waar Duchamp ons licht sarrend toegrijnst, alsof hij de hele kunstkermis om hem heen een beetje op de korrel neemt.

`Making Choices', Museum of Modern Art, New York. De exposities beneden en op de 1e verdieping duren tot 16 aug, op de 2de verdieping tot 26 sept en op de 3de tot 19 sept. Wo gesloten.

    • Lien Heyting