Strijd voor de verzoening

De fascinatie voor de strijd tussen Boer en Brit is nooit verdwenen. Een lawine van boeken houdt de herinnering levend en biedt nieuwe inzichten.

Twee Europese volkeren, de Boeren en de Britten, leverden precies honderd jaar geleden slag om de grond en de rijkdom van Zuid-Afrika. Die strijd heet nu officieel de Zuid-Afrikaanse oorlog, maar is beter bekend als de Boerenoorlog. Het was de laatste imperialistische oorlog van de negentiende en de eerste van de twintigste eeuw. Mei 1900 was daarin de beslissende maand. Het maandenlange Boerenbeleg van de stad Mafeking werd doorbroken op 17 mei, de Britten staken op 26 mei de Vaal over en op 31 mei trokken ze Johannesburg binnen, waarmee ze definitief de militaire overhand kregen. Pretoria, de hoofdstad van Boerenleider Paul Kruger, viel vijf dagen later. Hoewel de strijd nog twee jaar zou voortduren was met de Britse verovering van Transvaal het lot van de Boeren bezegeld.

André Brink, de vermaarde Zuid-Afrikaanse romanschrijver, voorspelde enkele jaren geleden dat de herdenking van de Boerenoorlog een lawine van hagiografieën en heroïsche romans zou opleveren, die het beeld van wat er werkelijk is gebeurd alleen maar verder zou vertroebelen. Brink heeft ongelijk gekregen. De markt is weliswaar overspoeld met tientallen boeken, maar tussen de obligate plaatjesboeken en de subjectieve heldenverering zit veel werk van hoge kwaliteit. Deze literatuur kan worden verdeeld in vier categorieën: `plaatjes met praatjes boeken', overzichtswerken, thematische studies en romans. Het aardige van de geïllustreerde boeken is dat de Boerenoorlog de eerste grote oorlog was waarbij camera's aanwezig waren. Europese kranten stuurden verslaggevers en fotografen naar het front die hun berichten `live' telegrafeerden. De prille oorlogsfotografie leverde talloze portretten, stillevens, maar ook actiefoto's. Dergelijke foto's zijn opgenomen in De Boerenoorlog. Nederlandse fotografen aan het front, van Louis Zweers (Sdu Uitgevers, ƒ29,90).

De literatuur over de Boerenoorlog biedt een fascinerende caleidoscoop van veranderende percepties en nationale voorkeuren. De Boeren, dat merkwaardige mengvolk, voornamelijk afstammend van Nederlanders, Duitsers en Franse hugenoten, kon in de jaren negentig van de negentiende eeuw op veel sympathie rekenen in grote delen van Europa. Van de Britten daarentegen moesten weinigen iets hebben. Toen de oorlog tussen Boeren (ook Afrikaners genoemd) en Britten uitbrak, op 11 oktober 1899, koos Europa partij voor de underdog, maar vooral tégen het Victoriaanse imperium.

`De schandelijke oorlog, waartoe Engeland de beide Zuid-Afrikaansche Republieken heeft gedwongen, heeft allerwegen in Europa de hoogste verontwaardiging gewekt', schreef de redactie van het Leiden Zuid-Afrika Album uit 1899, een van de eerste publicaties over die `vreeselijke gebeurtenissen in Zuid-Afrika'. Het album vertegenwoordigt de felle anti-Britse houding in Nederland en de meeste andere Europese landen van die dagen. `Een aangrijpend, een verheffend schouwspel: een klein volk, gloeiend van vrijheidszin, tegen een overmachtig rijk strijdend voor zijn onafhankelijkheid', aldus de ronkende lyriek over de `Boerenhelden'. Het onrecht dat het broedervolk werd aangedaan, beroerde de Nederlandse harten.

De Britten zagen hun eigen positie uiteraard heel anders. Een zekere Winston Churchill, legerluitenant, tevens verslaggever voor de Londense Morning Post, karakteriseerde aan het begin van de oorlog in 1899 de houding van de Engelse burgers in Natal als volgt: `Ze verliezen geen moment het zicht op hun verplichtingen als (burgers van) een Britse kolonie. Jongens van zestien wandelen zij aan zij met mannen van vijftig naar het front. De toewijding van het volk aan onze vorst moet hen algemeen respect en sympathie opleveren. Deze kolonie zal een grote indruk achterlaten in de geschiedenis.' In Churchill, Wanted Dead or Alive beschrijft Churchills kleindochter Cecil Sandys hoe ze de sporen van haar grootvader terugvolgde. Hij speelde in de Boerenoorlog maar een nietige rol. Op 15 november 1899, twee weken na zijn aankomst in Zuid-Afrika, werd de 24-jarige Churchill door de Boeren gearresteerd. Een maand later ontsnapte hij. Tot medio 1900 bleef hij actief in de oorlog, als verslaggever en militair. Churchill maakte zo zijn eigen nieuws. Het aardige aan het boek van Sandys – waarin geen onvertogen woord over opa staat – is het duidelijke beeld dat de lezer krijgt over het belang van de Boerenoorlog voor de vorming van de latere staatsman Churchill. Naderhand zou hij over zijn arrestatie zeggen: ``Dit ongeluk legde het fundament voor mijn latere leven.''

Groot-Brittannië gloeide in die jaren van nationalistische trots, zoals door heel Europa het chauvinisme waarde. `De jaren tussen 1870 en 1914 vormen een duidelijke nieuw era van fanatieke nationalistische oorlogspsychose en oorlogscultuur', aldus Bill Nasson in De Boerenoorlog, 1899-1902. `Een van de meest belangrijke opvattingen was het accepteren van oorlog als wenselijk en nuttig. Oorlog was de uiterste test van nationale viriliteit en raciale gezondheid.' In dit sjabloon past de Boerenoorlog: het was de krachtmeting tussen twee `rassen', want Boeren, Britten en vele andere volkeren in het Europa van die tijd zagen zichzelf als `ras'.

Het `Britse ras' had wereldwijd de overhand. De andere Europese staten wisten dit maar al te goed en stelden zich daarom in de Boerenoorlog zeer terughoudend op. De Nederlandse regering nam een houding van neutraliteit aan. Fransjohan Pretorius vat in The Anglo-Boer War (Struik, ƒ29,-) de toenmalige positie van Den Haag als volgt samen: `De Nederlanders waren tot de laatste man pro-Boer. Hun stamgenoten in Afrika wezen de weg naar een nieuwe gouden eeuw voor de Nederlanden. Veel individuele leden van de regering, alsmede de jonge koningin Wilhelmina, stonden eveneens sympathiek ten opzichte van de zaak van de Boerenrepublieken. Maar Nederland was een kleine mogendheid geworden, die afhankelijk was van Britse bescherming voor haar overzeese handel, met name in het oosten. Daarom nam ze officieel een strikte politiek van neutraliteit in acht.'

Minstens zo fel gekant tegen het `Britse imperialisme' waren de Fransen en de Duitsers. Vooral de oprichting van concentratiekampen voor Boerenvrouwen en -kinderen, vanaf eind 1900, leidde tot emotionele reacties onder het publiek en in de kranten aldaar. De Franse bladen Le Petit Journal en Le Petit Parisien publiceerden satirische platen over de `Britse kikkers' die de dappere boeren vermorzelden. Of men plaatste heroïsche prenten, onder andere van Boerenvrouwen die als ware Mariannes aan de zijde van de mannen vochten. De Duitsers claimden net als de Nederlanders stamverwantschap met de Boeren, van wie velen inderdaad familiebanden hadden met het Duitse achterland. Onder hen Paul Kruger, president van de Transvaalse Republiek. Duitse burgers stuurden duizenden ansichtkaarten naar Zuid-Afrika met zinsneden als `Heil! Den tapferen Buren und ihren würdigen Vertretern' en `Ob steht das deutsche Reich neutral, das deutsche Volk fühlt mit Transvaal'. Het zijn teksten, die in facsimile staan afgebeeld in C.A. Hollenbachs Briewe uit die Boereoorlog (Driefontein Publikasies, ƒ133,-) en die in het licht van het latere nationaal-socialisme onheilspellend klinken. De ontluistering van de oudere generatie Afrikaners komt subliem tot uitdrukking in de Nabetragting bij de Briewe. Barend Erasmus schrijft daar: `Die verontrustende waarheid is dat hedonisme en materiële vervlakking ook onder die Afrikaners sy tol geëis het. Vir al hoe meer is die swembad in die agterplaas en prestasie van die vier-by-vier (four-wheel drive in goed Nederlands, LvdH) in die sandduine van veel groter belang as kerk of die vertroeteling van kultuurgoedere.' Het prachtig geïllustreerde boek is een huldebetoon aan de Boeren en een verdediging aan het latere `systeem van afzonderlijke ontwikkeling', het eufemisme voor apartheid. Eenzelfde sfeer van Boerenverongelijktheid ademt Kommandeer, Kommandeer! Volksang uit die Anglo-Boereoorlog, een compilatie van liederen uit de oorlog, samengesteld door Pieter Grobbelaar, aan de Jan van Riebeeckstraat, Wellington, nabij Kaapstad (Uitgever J.P. van der Walt, ƒ18,-). `Dank aan Ian Smith vir hulp met die illustrasies' staat in het voorwoord. Sommige versjes zijn ontroerend en mooi, zoals het Lied van Flippie, dat door een Boeren krijgsgevangene in Ceylon werd geschreven in een voor die tijd typerende combinatie van Nederlands en Afrikaans:

O Moeder-lief, moet tog niet kermen ovir u verlaat'n kind.

God die Heer sal hom beskermen,

nimmer word hij Brits-gesind.

O Moeder-lief, moet tog niet wenen,

Moeder draag tog stil u smart.

God die Heer sal my bewaren, dan drukt u my weer aan u hart.

Het is overigens de vraag of men de Duitse opvattingen, zoals die uit de briefkaarten spreken direct moet verbinden met dat latere fascisme. De Engelse opvattingen uit die tijd waren evenzeer doorspekt met bloed-en-bodem-gedachten. Cecil John Rhodes, de succesvolle Britse zakenman-politicus die vanaf 1870 tot zijn dood in 1902 in Zuidelijk-Afrika woonde en heerste (Rhodesië, het tegenwoordige Zimbabwe werd naar hem genoemd), sprak onbeschaamd over het `Britse ras' als het beste op aarde. Rhodes was tijdens de Boerenoorlog een fanatieke verdediger van de Britse belangen. `Ik geloof dat het Britse volk is geroepen door hogere machten om als wereldleiders te dienen, voor de glorie van de Britten zelf evenals voor het welbevinden van het menselijk ras', zei Rhodes. Veertig jaar later gebruikte Adolf Hitler onder verwijzing naar Rhodes diens uitspraak, alleen verving hij `Brits' door `Duits'. De nazi's toonden grote bewondering voor Rhodes als iemand met het juiste inzicht over hoe het ene volk het andere kon knechten. De Britse generaal Robert Baden-Powell, tijdens de Boerenoorlog garnizoenscommandant in het belegerde Mafeking, toonde zich later openlijk een grote bewonderaar van Hitler en Mussolini. Baden-Powell, de latere oprichter van de padvinderij, meende dat de twee dictators `wonderen verrichtten door hun volkeren te laten herleven als trotse naties'.

Tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, waren de Britten dankzij mensen als Rhodes in het bezit van een wereldrijk, waartoe ook grote delen van zuidelijk Afrika behoorden. De meeste Europese landen waren eind negentiende, begin twintigste eeuw fel gekant tegen de Engelse expansiedrift, grotendeels uit jaloezie om iets wat zij, de Fransen, de Duitsers, de Russen, Italianen, niet tot stand hadden weten te brengen. Lenin stelde in 1900 in de eerste editie van de sociaal-democratische krant Iskra dat de Boerenoorlog de strijd tussen twee koloniale roofdieren betrof met als inzet het recht de zwarte bevolking uit te buiten, een analyse die dicht bij de waarheid zat. Want hoe klein de Afrikaner gemeenschap en haar leger ook waren in vergelijking met omvang en kracht van het Britse imperium, beide zijden hadden hetzelfde doel voor ogen: het veroveren van land voor eigen volk. Er was een kostbare oorlog voor nodig, waarin 20.000 Britten en 30.000 Boeren (het grootste deel van de Boerenslachtoffers, 22.000, waren kinderen onder de 16 jaar die in concentratiekampen stierven) het leven lieten om erachter te komen dat het gezamenlijk nastreven van dat doel wel zo handig was. If you can't beat them, join them.

Toen de strijd voorbij was, wisten Boer en Brit elkaar ondanks hun controverses heel goed te vinden in de materiële opbouw van het land. Dit leidde tot de stichting van de Unie van Zuid-Afrika in 1910, onder de Britse kroon, maar met de Afrikaner generaal Louis Botha als haar premier. De Afrikaners lieten zich door de Britten na 1902 niet in een ondergeschikte rol drukken, integendeel, de nazaten van Paul Kruger zouden het politieke podium domineren en dat volhouden tot de democratische verkiezingen van 1994.

In een van de beste boeken over de Boerenoorlog, de Britse uitgave The Boer War, komt David Smurthwaite, tot de treffende conclusie: `Terwijl Groot-Brittannië in militaire termen de overwinning behaalde in Zuid-Afrika, verloor zij aansluitend de vrede. In feite gaven de Britten de twee geannexeerde Boerenrepublieken terug aan de Boeren na afloop van de strijd.' Smurthwaite stelt dat de liberale regering in Londen aan het begin van de vorige eeuw niet begreep dat de Afrikaners binnen de kortste keren weer de politieke dominantie hadden overgenomen. `Maar de regering slaagde er wel in een natie te vormen die door Lord Kitchener werd aangeduid als een land dat de potentie had `een nieuw Amerika op het zuidelijk halfrond' te worden. De Unie werd, tot het midden van de twintigste eeuw een belangrijke economische en strategische splitpen in het Rijk', aldus Smurthwaite. Zijn boek is een heldere, neutrale beschrijving van het oorlogsverloop. Het is prachtig geïllustreerd en bevat fragmenten van oorlogsbrieven en -verslagen van beide zijden.

De trouw van Afrikaners aan de Unie met de Britten blijkt ook hieruit dat Afrikaner militairen in beide wereldoorlogen aan de zijde van de Britten streden. Hoewel de Afrikaners de geschiedenis ingaan als de bedenkers en politieke uitvoerders van apartheid, was het in feite opnieuw `dankzij' de innige samenwerking tussen Boer en Brit dat het radicale systeem van rassenscheiding tot stand kwam. Rhodes en Robert Baden-Powell waren in hun tijd al fervente voorstanders van segregatie en keken neer op de zwarte burgers van Zuid-Afrika. Met de ondergang van de apartheid verdween de politieke greep van de Afrikaners op Zuid-Afrika en ditmaal, zo lijkt het, voorgoed.

De zwarte meerderheid, het werkelijke slachtoffer van de Boerenoorlog, kreeg pas een kleine honderd jaar na de strijd, genoegdoening voor haar lijden. In The Boy. Baden Powell and the Siege of Mafeking van Pat Hopkins en Heather Dugmore wordt op treffende wijze de positie van de zwarten aangegeven, nadat Boer en Brit in 1902 samengevat de Vrede van Vereeniging hadden getekend. `De Britten wilden de landbouw op het verschroeide land en de productie in de goudmijnen zo snel mogelijk weer opbouwen om de enorme schulden die de oorlog met zich mee had gebracht teniet te doen en Zuidelijk Afrika als een Afrikaans Groot-Brittannië te reconstrueren. Om dit te bereiken was het noodzakelijk zich met de Boeren te verzoenen en de zwarten op te offeren.' De twee schrijvers laten geen spaan heel van de `held van Mafekeng', Robert Baden-Powell, die zwarte stammen als kanonnenvoer zou hebben gebruikt. De titel is een verwijzing naar Baden-Powell's voorliefde voor `boys'.

In het Militair Museum van Bloemfontein komt de zwarte positie nauwelijks aan de orde en dat geldt ook voor de meeste literatuur die over het onderwerp in het `oude Zuid-Afrika' werd geschreven. Pas onlangs hebben onderzoekers en schrijvers `ontdekt' dat er ook een zwarte rol bestond. Pas nu wordt het leed van de zwarte meerderheid beschreven en is men erachter gekomen dat naar schatting 20.000 zwarte Zuid-Afrikanen om het leven kwamen. De zwarte stammen zaten destijds als het ware tussen twee vuren en vochten mee aan Boeren- zowel als Britse zijde, al naar gelang het lokale belang. De Anglo-Boerenoorlog was op de keper beschouwd een typische `white man's war', waarin de zwarte bevolking ongewild werd betrokken.

Opmerkelijk is de hedendaagse opvatting onder zwarte intellectuelen over de Boerenoorlog. Op 11 oktober 1999, bij de herdenking van het begin van de oorlog, overgoten zowel president Thabo Mbeki als zijn minister van kunst en cultuur, Ben Ngubane, de Boeren van Paul Kruger met lof. Mbeki roemde, sprekend in het Afrikaans `die dapper Boere en Boerevroue' in de twee Boerenrepublieken die het hadden gewaagd tegen `het Britse imperialisme' de wapens op te nemen. ``We brengen hulde aan hen die de moed hadden een Goliath aan te vallen voor de verdediging van hun vrijheid. De kracht die zij toonden, behoort tot de erfenis van alle Zuid-Afrikanen, ongeacht ras en huidskleur'', aldus Mbeki, nadat hij een begraafplaats voor zwarte slachtoffers van de oorlog had ingewijd. Hoewel zijn woorden ook een politiek doel dienden: het paaien van de Boeren is in het belang van de Zuid-Afrikaanse regering gezien hun nog altijd belangrijke economische positie, lijkt het ook werkelijk de opvatting van mensen als Mbeki te zijn. Hoezeer ze de Boeren ook hebben vervloekt om de apartheid, de zwarte denkers van nu bewonderen de Boeren om hun doorzettingsvermogen, hun koppigheid en hun durf. De Britten van hun kant gaven vorig jaar volmondig toe dat de oorlog `fout' was geweest en nooit had moeten plaatshebben. De hertog van Kent bood namens Londen min of meer zijn excuses aan voor de concentratiekampen, de tactiek van de verschroeide aarde en al het andere leed dat werd berokkend.

Boer, Brit en Blacks zijn het na 100 jaar eens over de Zuid-Afrikaanse oorlog.

Alles is reg gekom.

David Smurthwaite: Boer War 1899-1902. Octopus Publishing,

208 blz. ƒ79,60

Cecil Sandys: Churchill, Wanted Dead or Alive. HarperCollins,

233 blz. ƒ79,55

Pat Hopkins en Heather Dugmore: The Boy. Baden Powell and the Siege of Mafeking.

Zebra, 222 blz. ƒ33,-

Bill Nasson: De Boerenoorlog, 1899-1902. Vert. Thijs Verloren van Themaat.

Verloren, 301 blz. ƒ49,50

    • Lolke van der Heide