Spookverhaal in gebarentaal

Eén voor één beklimmen de kinderen het podium om een verhaal te vertellen voor een volle zaal met publiek. Ze krijgen allemaal applaus, maar het klinkt zwak. Hier en daar zit iemand enthousiast te klappen, maar de meeste mensen doen iets ongewoons. Ze steken hun armen omhoog en wapperen met hun handen. Dit is de manier waarop doven applaudiseren. Het is een vrolijk gezicht.

Afgelopen zaterdag is in het Tropeninstituut in Amsterdam de finale van de Nationale Leesvertelwedstrijd voor dove kinderen gehouden. Elf kinderen uit groep 7 en 8 zijn in voorrondes op zes dovenscholen in Nederland gekozen om een stuk uit een favoriet boek na te vertellen. En net als bij de jaarlijkse Nationale Voorleeswedstrijd voor horende kinderen moet een jury hier bepalen wie dat het best kan. Alleen gaat nu alles in gebarentaal. Dat is prettig voor alle doven in de zaal; voor de horenden die het niet kunnen volgen is er gelukkig een tolk die de verhalen vertaalt in woorden.

De meeste boeken die deze middag uitgebeeld worden zijn spannend (Schaakspel in de wildernis van Bert Wiersema), een beetje griezelig (Een potje spoken van Paul van Loon), of grappig (Quarks! van Francine Oomen). De kinderen vertellen met vlug gebarende handen. Hun monden bewegen geluidloos en hun gezicht verandert steeds van uitdrukking, ze leven duidelijk mee met hun verhaal. Ze voeren zwijgende toneelstukjes voor ons op - iedereen kijkt ademloos toe.

Dan moet de jury beslissen: wie krijgen de derde en tweede prijs en wie is de winnaar van de Nationale Leesvertelwedstrijd 2000? Er staan drie zilveren bekers klaar en eindelijk, na lang wachten, mogen de drie beste kandidaten naar voren komen: Bas Bonnier, Cristina Burbea en Dennis Hoogeveen. Het zijn meestervertellers maar de grootste beker is voor degene die ons de avonturen van Abeltje van Annie Schmidt zo kon voortoveren dat het leek of we er zelf bij waren. Dat is Dennis. Het publiek juicht en weer is de lucht vol wapperende handen. De winnaar straalt en opnieuw laat hij op deze 20ste mei - notabene de geboortedag van de schrijfster - zijn handen het verhaal vertellen.

Na afloop wacht de bus om Dennis naar zijn woonplaats Haren te brengen, maar eerst wil hij nog wel even de kinderpagina te woord staan met behulp van een gebarentaaltolk. Voor Dennis (11), die doof is geboren, is Nederlands een tweede taal. Hij praat en krijgt les in Nederlandse Gebarentaal. Leren lezen was voor hem daarom moeilijker dan voor kinderen die niet doof zijn. Hoewel hij nog steeds moeite heeft met boeken met kleine lettertjes, leest hij graag. Vooral oorlogsboeken en strips vindt hij leuk.

Op de dovenschool in Haren waar hij in groep 8 zit moet hij soms een boekbespreking houden. ,,Ik maak dan eerst een samenvatting op papier. Die leer ik uit mijn hoofd en daarna moet ik voor de klas vertellen. Als je een cijfer krijgt, wordt de samenvatting beoordeeld maar ook of je de gebarentaal goed gebruikt.

,,Als ik lees stel ik me voor hoe de situatie eruit ziet. Het voelt een beetje of je zelf in het verhaal zit en een personage bent. Met Abeltje was het makkelijk. Vorig jaar heb ik in Groningen de film gezien. Er waren in de bioscoop twee tolken die het verhaal in gebarentaal vertelden. Ik vond het zo leuk dat ik daarna het boek heb gelezen en ook het tweede deel. Ik zag steeds de film voor me en dat hielp bij het uit mijn hoofd leren van de samenvatting die ik had gemaakt. Vanmiddag in de zaal was ik wel zenuwachtig, maar ik deed net of ik het tegen één persoon vertelde. Gelukkig zag ik alleen de voorste rijen, de rest van de zaal was donker.''