Plaat hoort nergens bij

`Lieve ouders nu gij toch gestorven zijt en wie weet geruimd, moet ik bekennen dat ik door de jaren heen toch veel aan u ontleend heb'. Zo begint het handgeschreven voorwoord dat de beeldend kunstenaar Henri Plaat liet afdrukken in de monografie die onlangs over hem verscheen. Plaat (1936) maakt behalve collages en gouaches ook films en geluidsbanden. Zijn werk wordt getypeerd als een `éénmans-stroming': er valt werkelijk geen lijn te ontdekken in zijn oeuvre, schrijven de samenstellers Jan Brand en Jan van Geest opgewekt.

Plaat, van wiens werk vorig jaar een overzichtstentoonstelling te zien was in De Beijerd te Breda, vertoont nog de meeste verwantschap met Fluxus en het surrealisme als het om zijn beelden gaat, en met Hollands Diep in zijn trant van absurdistisch en quasi-anekdotisch schrijven. Deze monografie is eigenlijk meer een kunstenaarsboek dat zijn houding als kunstenaar tot uitdrukking brengt: eerder een kunstwerk dan een braaf overzicht.

Het eerste deel bevat wel een min of meer serieuze ordening van zijn uitgebreide oeuvre, met een liefdevolle tekst over zijn `wilde denken' door Betty van Garrel. Zij memoreert hoe Plaats ongrijpbare kunst in 1972 tijdens een expositie van zijn werk in Washington leidde tot de verblufte reactie van een criticus: `Will the real Henri Plaat please stand up?'

Vergeleken met deze show leek zijn presentatie in het Haags Gemeentemuseum, vijf jaar eerder, het werk van een volslagen andere kunstenaar. Het wispelturige en rusteloze karakter van zijn werk maakt hem tot een Nederlandse Duchamp, of – actueler – tot een voorloper van fictieve kunstenaars als Seymour Likely. Laatstgenoemde was rond 1990 een verzamelnaam voor een groep jonge kunstenaars die installaties in zeer wisselende stijlen maakten, maar onder één naam exposeerden.

Het grote verschil is echter, dat Plaat met zijn werk geen stijlkritieken wil geven – hooguit doet hij aan persiflages – maar gewoonweg nut noch noodzaak van het hanteren van één herkenbare stijl inziet. Klee-achtige figuren, landschappen, geheel abstracte gouaches, collages die eerder cartoons zijn – alles buitelt vrolijk door elkaar in een niet aflatende stroom van invallen. Dat heeft de receptie van zijn oeuvre, dat ruim veertig jaar bestrijkt, niet bespoedigd, zoals hij uiteraard zelf ook wel weet.

Het lijkt hem allerminst te deren. Het tweede deel van het boek leidt de lezer door het virtuele Museum Henri Plaat. Plaat raapt foto's (van filmsterren, maar ook uit zijn persoonlijk leven) bij elkaar, schrijft absurde teksten waarin hij dikwijls historische gebeurtenissen parodieert, knipt plaatjes en maakt vooral veel grappen.

Er is ook een foto-kabinet met zwart-wit opnames die Plaat tijdens reizen maakte, maar die ver af staan van de conventionele reisfoto's. Bij Plaat geen mooie ver- of stadsgezichten, maar beelden van afgedankte spullen, een sloophuis, een verdwaalde lap in een hotelgang. De maker heeft mededogen met nutteloos geworden dingen waarmee hij een toevallige ontmoeting had, en daar maakt hij ons deelgenoot van. Zo zijn er ook kiekjes uit gevonden fotoalbums van wildvreemde mensen, een persfoto van een jonge Amerikaanse vrouw die `per ongeluk' haar moeder doodschoot zoals op de achterkant staat geschreven, oude ansichtkaarten en familiefoto's van Plaat zelf.

In zijn zelfportretten typeert hij zich afwisselend als een broer van Tommy Cooper (1961), een Egyptenaar (met handdoek in Toetankhamon-stijl om het hoofd, 1967) en als klusjesman met stofzuiger (1985). Het woord moet eigenlijk vermeden worden, maar als Henri Plaat dan toch met alle geweld getypeerd moet worden, zou ik zeggen: postmodern avant la lettre. Of, om meer in Plaat-jargon te blijven: neo-modern, maar dan anders.

Henri Plaat: Monografie.

Met teksten van o.a.

Betty van Garrel,

Jan van Geest en Henri Plaat.

Waanders, 160 blz. ƒ59,50