Kousbroek 2

In het Cultureel Supplement van 19 mei nodigt Rudy Kousbroek mij uit om de uitspraak te herroepen, dat een ieder die in een Japans interneringskamp heeft gezeten recht heeft op een gezonde rancune jegens Japan.

Die uitspraak deed ik in 1985 toen keizer Hirohito, Japans staatshoofd in de Tweede Wereldoorlog voor wie geïnterneerden op straffe van een aframmeling moesten buigen, nog steeds keizer was.

De tijden zijn sindsdien veranderd. In NRC Handelsblad van 13 november 1999 (Zaterdags Bijvoegsel 3) had Kousbroek kunnen lezen dat ik het onzin vind dat wij nu nog aan Japan excuses zouden vragen voor hetgeen in de oorlog voorviel. `Wat gebeurd is, is gebeurd.'

Meer moeite heb ik met de nogal laatdunkende manier waarop hij zich in zijn artikel `Hang de vlag uit' uitlaat over het `railroad'-liedje van Wim Kan, diens protest tegen de komst van de keizer naar Nederland in 1971. Het is een van de mooiste liedjes die de geschiedenis van het Nederlandse cabaret rijk is.

Graag herhaal ik het slotvers, zodat wie dit leest zichzelf een indruk kan vormen in plaats van op het subjectieve oordeel van Rudy Kousbroek te moeten afgaan:

En toch leeft er nog altijd een

die het navertellen kan,

die de geschiedenis kent als geen:

de keizer van Japan.

Nou hij niet opgehangen is,

had toen Prins Bernhard aan de dis

hem best eens mogen vragen

hoe dat zat destijds in Burma,

met die doden en die zieken,

en die honger en die cellen.

Wat had hij dat, terwijl hij at,

mooi kunnen navertellen.