Gebundeld geld

De laatste jaren wordt de mondiale bankwereld opgeschud door een reeks megafusies en overnames. Daarvan zijn de op het laatste moment afgeketste fusie van Deutsche Bank en Dresdner Bank en de overnames van de National Westminster Bank door de Royal Bank of Scotland en het Crédit Commercial de France door het Britse HSBC de laatste grote voorbeelden. De top-twintig van grootste banken verandert continu. In de recent verschenen monumentale studie Banken, bankiers en hun fusies toont bankhistoricus Douwe van der Werf aan dat de fusiekoorts niet van vandaag of gisteren is.

Het Nederlandse bankwezen heeft zijn fair share aan fusiegolven gehad. Rond 1990 gingen de Algemene Bank Nederland (ABN) en de Amrobank samen en fuseerde de Nederlandsche Middenstandsbank (NMB) met de Postbank, later aangevuld met verzekeraar Nationale Nederlanden. Of het bij de huidige status quo blijft, is nog maar de vraag. Zo werd er afgelopen jaar regelmatig gefilosofeerd over een combinatie van ABN Amro en Internationale Nederlanden Groep (ING), die op de wereldmarkt het hoofd zou moeten bieden aan giganten als Deutsche Bank, UBS en Citygroup.

De eerste bancaire samenklontering in Nederland vond plaats na de Tweede Wereldoorlog. Aan de lopende band namen de vier toenmalige grote handelsbanken hun kleinere branchegenoten over. De machtsconcentratie vond haar voorlopige hoogtepunt in 1964. In juni gingen de Nederlandse Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank samen in de ABN. Nog dezelfde maand was de fusie tussen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank een feit.

Soberheid

Van der Werf schetst in zijn bewonderenswaardige maar taaie studie, waaraan hij bijna tien jaar werkte, de voorgeschiedenis van deze twee megafusies. De titel dekt daarbij de lading niet helemaal. De auteur beperkt zich niet tot de fusiemotieven, maar geeft een gedetailleerd verslag van de positie van de banken in de jaren vijftig en vroege jaren zestig.

Het dubbele imagoprobleem van het onderwerp komt prachtig tot uitdrukking in de illustraties. In de foto's van ernstige bankbestuurders met grijze pakken en hoornen brillen wordt de spreekwoordelijke soberheid van de jaren vijftig nog eens versterkt door de degelijkheid die de bankwereld eigen is. Deze dubbelloopse saaiheid is schijn. Voor de bedrijfstak die de Nederlandse economie voorziet van smeerolie blijkt de aanloop tot 1964 een buitengewoon interessante periode.

De Tweede Wereldoorlog heeft gevoelige klappen aan het Nederlandse bedrijfsleven toegebracht, maar rond 1950 is de wederopbouw grotendeels voltooid. Het verlies van Nederlands-Indië in 1949 doet zich vooral voelen bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in de Oost bankzaken doet en bovendien belangen heeft in plaatselijke ondernemingen. Met een succesvol overheidsbeleid, gericht op de ombouw van een koloniale handelsnatie tot een industrieland, komt Nederland echter ook deze economische schok te boven. Daarbij geholpen door de versnellende wereldeconomie. In 1950, kortom, maakt Nederland zich op voor gouden jaren. De vier besproken handelsbanken, die zich van oudsher alleen richten op het bedrijfsleven en de overheid, beginnen langzaam de potentie van de particuliere markt te zien. De stijgende welvaart zet steeds meer mensen aan tot sparen. De banken storten zich op de spaartegoeden, waarmee zij de kredietverlening aan het – naar investeringskapitaal hongerende – bedrijfsleven kunnen uitbreiden.

Van der Werf belicht hierin terecht de rol van de Nederlandsche Bank. Het bastion van het aloude Hollandse calvinisme probeert de snel groeiende kredietverlening af te remmen door beperkende maatregelen. De kredietverlenende capaciteit van de banken is afhankelijk van de hoeveelheid kapitaal die hen is toevertrouwd. Daarmee is hun belangstelling voor de particuliere spaarder een noodzakelijke.

Dankzij de toenemende welvaart stijgt tegelijk de consumptie van de `kleine luyden'. Veel particulieren financieren hun eerste auto, zwart-wit televisie en moderne keuken met een lening. Van der Werf beschrijft nauwgezet de gevolgen voor de banken, die aanvankelijk nogal huiverig voor dergelijke consumptieve kredieten waren en er aparte dochtermaatschappijen voor oprichten.

Dafje

Hoe dan ook, de belangrijkste activiteit van de handelsbanken blijft de financiering van het bedrijfsleven. Ook daarin vinden verschuivingen plaats. In de jaren vijftig nemen de activiteiten van Nederlandse ondernemingen toe, en daarmee stijgt de kapitaalbehoefte. Van der Werf illustreert dit onder meer aan de hand van de investeringen van vliegtuigbouwer Fokker in de ontwikkeling van de F 27 en van Van Doorne's Automobielfabriek in het nieuwe Dafje.

De behoefte aan grote kredieten wordt eveneens gestimuleerd door de internationalisering van het bedrijfsleven. De oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1958 versnelt dit proces. Nederlandse ondernemingen worden steeds actiever in het buitenland en buitenlandse bedrijven als Dow Chemical, Esso en Gulf Oil starten operaties in Nederland, waarvoor zij lokaal kapitaal aantrekken. De banken kunnen de gestegen behoefte nauwelijks meer aan. Zij moeten op zoek naar partners om hun positie te versterken.

Aan het einde van de jaren vijftig begint de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) haar eerste, aarzelende fusiebesprekingen. Haar motieven zijn duidelijk. De in Nederlands Indië zeer actieve onderneming is na de onafhankelijkheid van Indonesië nog een aantal jaren in staat geweest zijn zaken in de voormalige kolonie voort te zetten. In 1960 worden haar belangen in de gordel van smaragd echter genationaliseerd, wat het bestaansrecht van de onderneming ernstig aantast. De heroriënterende NHM laat haar oog vallen op het uitgebreide Nederlandse kantorennetwerk van de Twentsche Bank.

De uiteenzettingen in de eerste hoofdstukken, waarin Van der Werf de vier banken afzonderlijk behandelt, voeren de gemiddeld geïnteresseerde lezer ongetwijfeld te ver. Het vijfde hoofdstuk biedt echter vuurwerk. De auteur had toegang tot de archieven van de vier banken en de Nederlandsche Bank. Bovendien sprak hij met betrokken bestuurders. Zo kan hij inzichtelijk maken hoe buitengewoon moeizaam de onderhandelingen verliepen, zowel intern als tussen de banken onderling. Tussen alle voetangels en klemmen door weet Van der Werf aannemelijk te maken dat persoonlijke motieven – naast zakelijke – een belangrijke rol speelden in (het mislukken van) de fusie-onderhandelingen.

Op de klippen

Tekenend is het voorbeeld van Herman van den Wall Bake. Deze tweede man van de NHM zet de voet dwars op het moment dat zijn komende presidentschap in gevaar komt. In de nieuwe combinatie met de Twentsche Bank zou NHM-president Andries van Sandick worden opgevolgd door de `Twentse' Johan Burgerhout. De ambitieuze Van den Wall Bake dringt erop aan dat Burgerhout bij de opvolging plaats maakt voor hem. Deze reageert gepikeerd en stopt de onderhandelingen. Hoewel het tragische overlijden van Van Sandick in mei 1962 en de opvolging door Van den Wall Bake dit probleem oplost, lopen ook de daaropvolgende fusiebesprekingen met de Amsterdamsche Bank op de klippen. De nood is echter hoog. In 1964 bereiken de NHM en de Twentsche Bank toch een akkoord. De Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank kunnen dan niet achterblijven.

De fusies stuiten echter op bezwaren van de buitenwacht, schrijft Van der Werf. De latere PvdA-minister van Financiën Anne Vondeling vraagt zich in de Tweede Kamer bezorgd af of Nederland op een handelsbankenmonopolie afstevent. Ook het weekblad Vrij Nederland vreest een machtsconcentratie in handen van een klein aantal topfinanciers, `die met gouden koorden ons economisch leven beteugelen'. Toch verleent De Nederlandsche Bank toestemming.

Banken, bankiers en hun fusies prikkelt de verbeelding. Het is de vraag hoe ver de machtsconcentratie in het Nederlandse bankwezen zich nog kan voortzetten. De meeste beschouwers zien momenteel nog te veel drempels voor een nieuwe combinatie van Nederlandse banken, zoals ABN Amro en ING. Van der Werf toont echter aan dat de weg naar de fusies van 1964 evenmin was bezaaid met rozen. Eén drempel is inmiddels al uit de weg geruimd. De Nederlandsche Bank heeft haar principiële bezwaren tegen een verdere concentratie in het bankwezen laten varen. Wellicht kan Van der Werf binnenkort op herhaling.

D.C.J. van der Werf: Banken, bankiers en hun fusies. Het ontstaan van de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank, een studie in fusiegedrag over de periode 1950-1964. Nederlands Instituut voor het Bank- en Effectbedrijf, 523 blz. ƒ120,–

    • Mathijs Smit