Fabrieken vol gevaar

In 1974 ging in het ketelhuis van een oude melkfabriek in de Overijsselse gemeente Avereest het bedrijf FHS van start. Met behulp van een trommeloven verwerkte het bedrijf aluminium profielen, folies, snippers, draaisels en ander afval tot blokken van minstens honderd kilo.

Uit het boek Geen reden tot ongerustheid van Natasha Gerson en Wilja Jurg, waarvan het eerste deel aan de FHS is gewijd, blijkt dat de aluminiumsmelterij al vrij snel na de start niet zo streng keek naar de kwaliteit van het aangevoerde materiaal. Ook gelakt aluminium of met olie doordrenkte motorblokken verdwenen de oven in. De bij het smelten van het aluminium vrijkomende dampen stegen in eerste instantie ongefilterd uit de schoorsteen naar buiten. Dat leidde tot ziekte of sterfte van kalveren in de omgeving, tot schade aan gewassen en tot roetneerslag. De fabriek bleek na veel protest van de omwonenden bereid de schoorsteen te verhogen. Pas na verloop van tijd zorgde een filterinstallatie ervoor dat de uitstoot van de rookgassen binnen de normen bleef.

Toen de fabriek later na een uitbreiding ook niet terugdeinsde voor de verwerking van gebruikte onderdelen van de ultracentrifugefabriek UCN-Urenco, die naar alle waarschijnlijkheid radio-actief besmet waren, kwam er een nieuwe rookgasreinigingsinstallatie. Die hielp echter nauwelijks de overlast te beperken. `De nieuwe voorziening bleek op het moment van ingebruikname alweer ontoereikend voor de toegenomen capaciteit van FHS,' schrijven Gerson en Jurg. De gemeente Avereest hield zich voortdurend afzijdig. Later bevestigden Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel dat de smelterij de voorschriften aan haar laars lapte, maar tot sancties kwam het niet. Opmerkelijk aan de geschiedenis rond FHS is dat de gemeente Avereest het ingenieursbureau DHV begin 1992 een onderzoek laat verrichten naar de emissies van onder meer FHS, terwijl dit adviesbureau – nota bene in dezelfde periode – ook voor de aluminiumsmelter werkte.

In het tweede deel van het boek proberen de auteurs in een breder kader aan te tonen dat het geval van FHS niet alleen staat, maar dat het symptomatisch is voor het lakse optreden van de overheid. Ook in dit deel ontbreekt het niet aan affaires, waarbij burgers en milieu-organisaties zich geconfronteerd zien met bedrijven, die stelselmatig de milieu-verplichtingen overtreden, en waarbij de lokale overheden machteloos aan de zijlijn blijven staan. Belangenverstrengeling, omdat gemeenten en provincies niet zelden aandeelhouders zijn van bedrijven waaraan ze tevens vergunningen verlenen, is hierbij een van de oorzaken voor het gebrek aan een doortastend ingrijpen. Ook het argument, dat bij een streng handhavingsbeleid de werkgelegenheid in gevaar zou komen, maakt dat de overheidsinstellingen zich nog wel eens coulant opstellen. Terecht wijzen Gerson en Jurg er in dit verband op, hoe weinig onafhankelijk de ingeschakelde adviesbureaus vaak opereren, terwijl ook de universitaire wereld een stevige relatie met het bedrijfsleven blijkt te hebben, wat een onpartijdige opstelling verhindert.

Ondanks de vlotte stijl en de goed gedocumenteerde, vaak nogal schokkende casussen verliest het boek aan het eind zijn kracht. Dat komt voor een deel door de rommelige indeling: de lopende tekst eindigt met twee casussen, daarna volgen er drie bijlagen en vervolgens een nawoord. Het is een gemiste kans, dat de bijdrage van Rik van der Weerdt, medisch milieukundige bij de GGD IJssel Vecht, geen repliek krijgt. Zijn stelling – in een van de bijlagen – is dat de verontruste burgers op het verkeerde paard wedden. Ze kunnen zich beter druk maken om de in zijn ogen belangrijkere milieuproblematiek dan de schade die bedrijven aanrichten, zoals de luchtvervuiling door het gemotoriseerd wegverkeer of het ongezonde binnenklimaat in woningen. Het lijkt mij, dat Van der Weerdt met deze algemeen geldende constatering de specifieke overlast van bedrijven bagatelliseert, maar ik had hier graag de mening van Gerson en Jurg over gelezen. De centrale conclusie van de auteurs is dat er meer openheid moet komen. Na het gespierde taalgebruik aan het begin van het boek komt dit wat naïef over, alsof de overtredingen van de milieubepalingen minder worden als het bedrijf in kwestie hierover maar zou communiceren. Maar het meest onbevredigende is, dat het standpunt van de (lokale) overheden zo weinig aan bod komt. Aan schandalige affaires is geen gebrek, maar wat is op al die feiten het antwoord van de handhavers van het milieubeleid? Hoe kijkt Den Haag tegen de wanpraktijken aan? Is hierbij de veronderstelling juist, dat economische argumenten prevaleren boven het milieubeleid? Ligt het aan de ondoorzichtelijke wetgeving en biedt bijvoorbeeld een Vergunning op Hoofdlijnen dan geen uitkomst? Of zijn er onvoldoende handhavingsmiddelen beschikbaar?

Een antwoord op deze vragen zou tot veel verdergaande conclusies kunnen leiden, dan de constatering dat er een gebrek aan openheid is. Nu blijft het toch enigszins onduidelijk waarop de verontruste burger zijn hoop moet vestigen: nieuwe regelgeving, krachtiger optreden van de overheid of op de acties van een lokaal opererende milieu-organisatie. Een antwoord op dit soort vragen lijkt van belang, zeker omdat er in ons land veel meer `redenen tot ongerustheid' zullen zijn, zoals onlangs dramatisch duidelijk werd bij de vuurweerkramp in Enschede.

Natasha Gerson en Wilja Jurg: Geen reden tot ongerustheid. Alledaagse bedreigingen van gezondheid en milieu.

Van Gennep, 264 blz. ƒ34,90

    • Rijkert Knoppers