Een thermometer in 's lands reet

Met `The Human Stain' – een sublieme roman over het seksuele McCarthyisme en de politieke correctheidsepidemie die Amerika trof gedurende het afgelopen fin de siècle, sluit Philip Roth zijn briljante trilogie af over het na-oorlogse Amerika.

Als ik de vertaler was van The Human Stain, dan zou ik de titel van dit nieuwste meesterwerk van Philip Roth vertalen als Het menselijk tekort. Helaas heeft Du Perron die naam al gebruikt voor zijn vertaling van Malraux' La condition humaine, maar dat zou dan ook het enige bezwaar ertegen zijn. Het menselijk onvermogen is waar alle grote literatuur over gaat en dus ook het werk van Roth. Vanaf zijn debuut, de verhalendebuut Goodbye Columbus (1959), tot en met The Human Stain, zijn vierentwintigste boek, probeert hij te definiëren wat het is, dat menselijk tekort. In The Human Stain, een gecompliceerde roman, spelend in Amerika anno 1998 tegen de achtergrond van de Clinton/Lewinsky-affaire, benoemt hij het als het streven om – anders dan dieren – het leven niet louter te ondergaan maar het echt te leven, voluit het raadsel erkennend van de `zinloze betekenis' van dat leven.

In Sabbath's Theatre (1995) gebruikte Roth ook al het onderscheid tussen mens en dier om tot de kern van het menselijke onvermogen door te dringen. Dieren maken geen keuzes en het is onmogelijk vast te stellen of hun leven neerkomt op onbegrensde vrijheid of op complete onvrijheid. Misschien dat Faunia, de `fatale vrouw' in The Human Stain, daarom het liefst een vogel zou willen zijn. Aan een monoloog van Faunia over een kraai die door mensen is opgevoed en daarom vervreemd is van zichzelf en zijn soortgenoten is de titel van de roman ontleend. De kraai is zijn onschuld kwijt, draagt de menselijke besmetting, een smet die zo alomvattend is dat hij niet zichtbaar hoeft te zijn. Deze smet is onuitwisbaar en daarom zijn alle pogingen om hem weg te wassen belachelijk. Mensen, vooral Amerikanen, zijn voortdurend bezig met zuivering, maar de zuiverheidsfantasie is verschrikkelijk, krankzinnig, vindt de verteller van het verhaal, Roths alter ego Nathan Zuckerman. Want wat levert de queeste naar zuivering op behalve meer onzuiverheid?

In de behoefte aan een onmogelijke perfectie, het hartstochtelijke verlangen zich te vernieuwen en zich in tweeën te splitsen, de energie waarmee dit gebeurt, de gruwelijkheden van dit menselijke drama, ziet Roth `het drama van Amerika' weerspiegeld

Met The Human Stain – een roman over het seksuele McCarthyisme en de politieke correctheidsepidemie die Amerika trof gedurende het afgelopen fin de siècle, sluit Roth zijn briljante (niet chronologische) trilogie af over het na-oorlogse Amerika. American Pastoral (1997), het eerste deel, waarvoor hij de Pulitzerprijs kreeg, gaf een portret van de radicale jaren zestig waarin `the American dream' vernietigd werd en Amerika door de Vietnam-oorlog zijn onschuld verloor. Daarop volgde I Married a Communist (1998) met in de hoofdrol een slachtoffer van anticommunistische heksenjacht. Deel drie lijkt in eerste instantie de Clinton/Lewinsky-affaire tot onderwerp te hebben, waarmee het einde van de twintigste eeuw werd ingeluid, maar het eigenlijke thema is wat in Nederland sinds kort het `multiculturele drama' heet.

De hoofdpersoon is een van huis uit zwarte man die als blanke, of om preciezer te zijn, als jood door het leven gaat, carrière maakt als hoogleraar in de klassieke talen, maar uiteindelijk zijn prestige en zijn baan verliest als hij slachtoffer wordt van een soort omgekeerd McCarthyisme. Hij zou zwarte studenten beledigd hebben en wordt door de politieke correctelingen die het op de universiteit voor het zeggen hebben voor racist uitgemaakt.

De overeenkomsten tussen de drie boeken zijn legio: ze omspannen de naoorlogse Amerikaanse geschiedenis, opgehangen aan menselijke tragedies, verteld door de buitenstaander Zuckerman, door Roth niet zijn alter ego maar zijn `alter brain' genoemd. Zuckerman is net als Roth afkomstig uit Newark, New Jersey, hij heeft evenals Roth een turbulent (seks)leven achter de rug, maar is nu ver in de zestig en na een prostaatoperatie impotent en incontinent geworden. Hij, de schijver Zuckerman, leeft alleen nog maar voor de literatuur, hij reconstrueert levens op basis van ruwe informatie waar hij de details zelf bij moet invullen. Hij gaat te werk als een biograaf die karakters en gebeurtenissen in kaart brengt, interpreteert en analyseert en hij doet dat zo overtuigend dat je als lezer geneigd bent te vergeten dat het Roth is die een fictieve Zuckerman laat schrijven over fictieve personages. Wat blijft hangen en de meeste indruk maakt, is de diagnose die hij tussen de bedrijven door stelt over een allerminst fictief Amerika.

Er is een groot verschil tussen The Human Stain en de twee vorige delen van de trilogie, en eigenlijk tussen dit boek en al Roths andere werk: het is – ondanks de prominente aanwezigheid van Zuckerman – nu eens geen boek waarin de joodse achtergrond van Roth het thema is of het referentiekader voor zelfreflectie vormt.

In The Human Stain probeert Zuckerman zich te verplaatsen in zijn 72-jarige buurman Coleman Brutus Silk, een emeritus hoogleraar klassieke talen aan de universiteit van het (fictieve) Athena. Evenals Zuckerman is hij afkomstig uit Newark, niet uit een joods middenklassegezin, zoals hij voorgeeft, maar uit een vergelijkbaar zwart milieu. Net als in veel joodse gezinnen was taal belangrijk bij Silk thuis. Zijn vader, een opticien die na de crisis zijn zaak kwijtraakte en een vernederend baantje als kelner in een trein aanvaardde, was een verwoed liefhebber van Shakespeare en noemde zijn kinderen met hun tweede naam naar personages uit diens toneelstukken.

Zuckerman ontmoet Silk nadat deze de universiteit noodgedwongen vaarwel heeft gezegd. Tijdens een college, bij het nakijken van de presentielijst, had hij de aanwezigen naar twee studenten gevraagd die zich nog nooit hadden vertoond. Bestaan ze wel echt, wil hij weten, of zijn het `spooks'? Dit woordje kost hem zijn kop. Silk doelde op spookstudenten, maar omdat in vervlogen tijden `spooks' een scheldwoord voor negers was, wordt hij officieel beschuldigd van racisme. Jarenlang was Silk decaan van de universiteit. In die functie had hij alle middelmaat eruitgeschopt, waarmee hij veel vijanden maakte. Misschien dat hij daarom geen steun krijgt van zijn collega's, zelfs niet van de eerste zwarte hoogleraar die dankzij hem op Athena University werd aangesteld.

Verbitterd treedt Silk terug en als een paar maanden later zijn vrouw Iris plotseling aan een hersenbloeding sterft, wordt hij gek: zijn voormalige collega's hebben volgens hem zijn vrouw vermoord. Vanaf dat moment zoekt hij contact met Zuckerman aan wie hij vraagt een boek te schrijven over zijn `geval', een boek dat Spooks moet heten. Zuckerman weigert, maar raakt wel intens bevriend met Silk, die vervolgens besluit het boek zelf te schrijven, wat volledig mislukt. In zijn door Roth schitterend beschreven desintegratie weet Silk zich wonderbaarlijk te vernieuwen en te verjongen. Hij wordt verliefd op een 34-jarige schoonmaakster van de universiteit, slikt viagra om met haar de liefde te bedrijven en ontdekt het geluk. Totaal onthecht, verstoten door zijn collega's en zijn kinderen die alle roddels over hun vader geloven, los van alle ambities vindt hij de vrijheid waar hij zijn leven lang naar heeft gezocht.

Althans dat denkt Zuckerman en in zekere zin heeft hij gelijk. Ware het niet dat Coleman Brutus Silk een geheim met zich meedraagt, waar niemand weet van heeft en waardoor hij nooit echt vrij kan zijn. Silk is, ondanks zijn lichte huidskleur een neger en heeft zichzelf als kind altijd als zodanig beschouwd, zonder daar enig probleem mee te hebben. Totdat hij ging studeren aan een zwarte universiteit en vervolgens door de blanke buitenwereld als `nigger' werd gediscrimineerd. Na de dood van zijn trotse vader besluit hij over te stappen naar de Universiteit van New York waar hij – wonend in Greenwich Village – als blanke door het leven gaat. Zelfs zijn vriendin, de mooie blonde Steena van IJslands-Deense komaf trapt erin. Maar nadat Coleman haar mee naar zijn ouderlijk huis heeft genomen, geeft ze hem zonder enige uitleg de bons. In de Village, zo leert een volgende (zwarte) vriendin hem, leven talloze negers die van ras veranderen. Zij kan het altijd zien, maar heeft er geen bezwaar tegen.

Silk komt ook zijn militaire dienstplicht als blanke door, al wordt hij in die tijd een keer hardhandig uit een bordeel gegooid waar zwarten niet welkom zijn. Uiteindelijk trouwt hij met de kunstenares Iris, kind van joodse anarchisten, en besluit als jood verder te gaan. Iris past perfect in dat plan. Ze heeft een woest kroezende haardos en als zij later kinderen met negerhaar krijgt, hoeft dat dus niet aan zijn afkomst te liggen. Hier raakt het verhaal aan Looking on Darkness van de Zuid-Afrikaan André Brink waarin een zwarte zich als blanke voordoet, met een witte vrouw trouwt die vervolgens een zwart kind ter wereld brengt. Maar meer nog dan aan Brink doet het thema van de verinnerlijkte raciale spanning denken aan Disgrace van die andere Zuid-Afrikaan, J.M. Coetzee.

Silks leven eindigt, passend voor een classicus, als een Griekse tragedie. Samen met Faunia komt hij om bij een auto-ongeluk. Op de universiteit gaat de roddel dat Faunia hem pijpte terwijl Silk reed waardoor hij de macht over het stuur verloor en in het ravijn stortte. Zuckerman weet echter zeker dat Faunia's ex-echtgenoot, een Vietnam-veteraan met een post traumatisch stress-syndroom die haar en Silk stalkte, het ongeluk veroorzaakt heeft. Hij gaat op onderzoek uit, bezoekt de begrafenissen van Faunia en van Silk en ontdekt alles, behalve de toedracht van het ongeluk.

Het belangrijkste wat hij te weten komt zijn de geheimen van Faunia en Silk. Geen van beiden was wie ze voorgaven te zijn. Faunia deed alsof ze analfabete was, ook tegenover Silk, terwijl ze een dagboek naliet. Silk deed alsof hij blank was. Dit geheim krijgt Zuckerman te horen van Ernestine, Colemans zuster en op haar verhalen baseert hij zijn boek over hem, getiteld The Human Stain.

In de aan Ernestine ontleende passages klinkt de redelijke, begrijpende, alles verklarende stem: zo zou het gegaan kunnen zijn, en ja, dat zijn de consequenties van zelfverloochening en verraad. Toen Coleman als jongeman van 26 zijn moeder kwam vertellen dat hij een blanke was geworden en definitief met haar, zijn broer en zus en zijn hele verleden moest breken, antwoordde zij hem dat iedere diepgaande verandering in je leven impliceert dat je tegen iemand zegt `ik ken jou niet'. Zij interpreteert de daad van haar zoon als lafheid en verraad. `Er was altijd iets met onze familie, en ik bedoel niet onze kleur – er was iets met ons dat je dwars zat. Je denkt als een gevangene. Dat doe je, Coleman Brutus. Je bent wit als sneeuw en je denkt als een slaaf.'

Zuckerman heeft talloze andere verklaringen voor Colemans identiteitsverandering. Volgens hem was het een daad van zelfbevrijding van een jongen die in een bekrompen, racistische samenleving zijn lot in eigen hand wilde nemen. `Alles wat hij altijd had gewild, van jongs af aan, was vrij zijn: niet zwart, zelfs niet wit – gewoon zichzelf en vrij.' Hij past in de Amerikaanse great frontier traditie, hij heeft de uitnodiging geaccepteerd zijn afkomst overboord te gooien en zijn recht op te eisen van pursuit of happiness, het grondwettelijke recht op het najagen van geluk, dat altijd zal stuiten op het menselijk tekort.

Dit is één kant van het verhaal.

Ernestine laat hem de andere kant zien, door te vertellen hoe haar oudste broer Walter Silk tegenover Colemans raciale desertie staat. Volgens Walter, die actief deelnam aan de burgerrechtenbeweging, was Coleman een egoïst, die alleen aan zichzelf en zijn carrière dacht en nooit iets voor anderen, laat staan andere zwarten, heeft gedaan.

Zuckerman verplaatst zich in iedereen in Silks omgeving. Hij laat Ernestine speculeren over wat Coleman Brutus zijn vrouw en kinderen heeft aangedaan door zijn afkomst te verzwijgen, zijn moeder, zijn broer en zus en zichzelf, maar uiteindelijk komt hij tot een genuanceerde, verrassende conclusie. Iemand die de moed heeft om tegen zijn moeder te zeggen: het is voorbij, de liefde is over, wil niet alleen maar blank zijn. `Hij wil er toe in staat zijn zoiets te doen. Het is meer dan alleen maar heerlijk vrij willen zijn. Het is hetzelfde als de wreedheid in de Ilias, Colemans lievelingsboek over de menselijke roofzucht. Elke moord daar heeft zijn eigen kwaliteit, iedere keer een ergere slachting dan de vorige.'

Intussen biedt de psychologische ontrafeling en interpretatie van Silks geheim Roth de gelegenheid om een eeuw Amerikaans racisme onder de loep te leggen, een eeuw van diepe geborneerdheid, van haat die haat uitlokt, families, sociale verbanden, loopbanen, mensen vernietigt. Ook Coleman Silk wordt het slachtoffer van deze haat. Hij wordt als zwarte vervolgd wegens racisme en als jood vermoord – althans volgens Zuckerman – door een rechtse, antisemitische Vietnam-veteraan.

Het racisme in Amerika bracht niet alleen de burgerrechtenbeweging voort waar Coleman niet op kon wachten, maar ook de doorgeschoten vorm daarvan, de geestdrijverij van de politieke correctheid, waardoor Silk alsnog wordt ingehaald. Hij wordt uigemaakt voor racist en voor seksist. Als de eeuw niet zo ver gevorderd was, schrijft Roth, zou hij ongetwijfeld ook communist genoemd zijn. Dat was voorheen de manier om mensen te diffameren, en de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen.

De verpersoonlijking van de hedendaagse, politiek correcte variant van de McCarthyistische zuiverheidswaan is in The Human Stain de Parijse feministe Delphine Roux, door Silk ooit aangenomen als hoogleraar literatuurwetenschap. Ze wil dat Silk Euripides onderwijst vanuit feministisch perspectief en als hij zulke idiotie weigert, neemt ze wraak door hem aan te klagen wegens het woord spooks.

Van deze vrouwelijke snob, die alleen maar over intertekstualiteit kan praten als het over literatuur gaat, maakt Zuckerman een karikatuur, een gekkin over wie hij niets dan belachelijks kan melden. Ze is in alles het omgekeerde van Colemans zogenaamd analfabete vriendin Faunia die `niet is gedeformeerd door het zuiverheidssprookje, en er geen hobby van maakt anderen te veroordelen.

Het monsterachtige portret van Roux zal ongetwijfeld nieuw voedsel geven aan de al vaker door feministen naar voren gebrachte kritiek op Roth, aan wie een weinig genuanceerde kijk op vrouwen wordt verweten. In de karikatuur, niet alleen van Roux maar van het universitaire leven als geheel, toont Roth echter een waarheidsgetrouw beeld van de Amerikaanse moraal anno 1998, een beeld dat niet alleen bepaald wordt door de kleinzielige roddel over Clintons seksleven, maar evenzeer door het spook van de politieke correctheid. De ziekelijke behoefte aan zuivering haalt alleen maar meer onzuiverheid naar boven, laat hij zien.

Roth beschouwt de zuiverheidsmanie als de overwinning van de domheid, het primaat van de vorm boven de inhoud, het verlies van historisch besef, van kennis, cultuur, van alles wat van belang is voor de cohesie van een land. Zelfs van Moby Dick heeft niemand meer gehoord, verzucht Ernestine, laat staan van het eerste amendement op de Amerikaanse grondwet, freedom of speech. Over Monica Lewinsky, behorend tot `de domste generatie ooit', zegt iemand dat ze, zoals veel van haar leeftijdgenoten, trots is op haar oppervlakkigheid, holheid, leegheid. Een ander antwoordt dat dit weliswaar klopt, maar dat Lewinsky niettemin meer over Amerika heeft onthuld dan wie dan ook sinds USA van Dos Passos: `Ze stak een thermometer in 's lands reet. Monica's USA.'

Coleman Silk, in opspraak wegens racisme, maar als minnaar van Faunia ook wegens seksisme, luistert gezeten op een bankje op zijn oude campus met verbijstering naar deze dialoog. Wat hem onthutst is niet alleen de ophef over de Lewinsky-affaire, die na de seksuele revolutie het land nog zo op zijn kop kon zetten, maar ook de overeenkomst met zijn eigen affaire.

Hij denkt na over de eeuw die zich ten einde spoedt, een eeuw van vernietiging die zijn weerga niet kent, een eeuw waarin kwaad zich op kwaad stapelde, waarin de halve wereld onderworpen was aan pathologisch politiek sadisme. En nu, aan het eind van zo'n eeuw van horror en menselijke ellende maakt de natie zich druk over Monica en Clinton en windt de universiteit zich op over Faunia en Silk.

Met The Human Stain, dit even verdrietige als schitterende slotakkoord van zijn Great American Novel, ontrafelt Roth niet de persoonlijke waarheid van Silk, Faunia, Clinton of Monica. Hij vertelt een sombere waarheid over zijn tijd en heeft, net als Monica, de thermometer in 's lands reet geduwd.

Zuckerman heeft in een amalgaam van geheime biografieën de verborgen biografie van Amerika geschreven.

Philip Roth: The Human Stain. Jonathan Cape, 361 blz. ƒ49,95

    • Elsbeth Etty