Een monster met vliegwens

Het allerbeste is om niet geboren te worden, het op één na beste is om spoedig te sterven, schreef Nietzsche. Dit geldt in ieder geval voor reuzenkleuter Arend uit de gelijknamige roman van de Vlaming Stefan Brijs (1969). Arend is groot, dik, mank en contactgestoord. Zijn moeder haat hem en maakt zijn leven tot een hel. Alleen een obsessie voor vliegen, vleugels, vlinders en vogels houdt hem op de been.

Brijs laat Arend reeds in de baarmoeder beginnen, waarin hij de belangrijke lijnen uitzet: de haat tussen moeder en kind; het uitgroeien van het lichaam tot monsterachtige proporties; de vliegwens en de daaraan verbonden doodsdrift: `Arend had toen al geruime tijd besloten om te blijven waar hij zich bevond, zo niet alleen zijn dood nastrevend, maar ook die van zijn moeder die ten onder zou gaan in het rottingsproces dat zich na zijn verscheiden in haar buik zou voltrekken.'

Het eerste deel, `Uitkomen', verschilt nogal van de rest van het boek. `Uitkomen' is een beschrijving van Arends embryotijd en zijn babyjaren, waarin Brijs gebruik maakt van magisch-realistische elementen en griezeleffecten, zoals hij dat in nog sterkere mate deed in De verwording (1998), zijn debuutroman over een man die in de ban raakt van een hotelheks. Met zijn abnormale groei, zijn merkwaardige gedrag en zijn onwerkelijk volwassen gedachtes, heeft Arend iets van een freak, een duivelskind. Hier en daar doet `Uitkomen' denken aan griezelfilms als The Omen en Rosemary's Baby, en aan de geboorte van Oscarchen, de dwerg in Günter Grass' Die Blechtrommel.

Monster

Door Arend aanvankelijk als een monster neer te zetten, maakt Brijs de haat van de moeder voor het kind, een moeilijk te begrijpen gevoel, aannemelijk. Arend krijst de hele dag en toont verder geen enkele emotie. Na een paar bladzijdes huilen, hoop je met de moeder dat het monstertje spoedig zal sterven. Tegelijkertijd blijf je op de hand van Arend omdat je veel door zijn ogen ziet. Brijs kiest voor moeder en kind.

De rest van de roman is veel normaler, minder nachtmerrieachtig. Arend verandert van een duivelskind in een gewoon zielig jongetje. Brijs besteedt steeds minder aandacht aan zijn mismaaktheid. Ook laat Brijs zijn genuanceerde mededogen voor de moeder varen. Hij kijkt nog nauwelijks naar haar om, zodat het begrip voor haar verdwijnt en zij niet meer wordt dan een koud rotmens.

Door deze omslag is Arend enigszins inconsistent van vorm. Bovendien heeft Brijs, net als in zijn debuut, moeite met op gang komen. Het boek begint spectaculair met Arends reuzengroei in de baarmoeder en de gruwelijke geboorte, maar zakt daarna in, met de saaie babyjaren, totdat Arend eindelijk naar de kleuterschool gaat en nieuwe rampen het verhaal weer vaart geven.

De vlieg- en de doodswens schuift Brijs geleidelijk en subtiel in elkaar. Arends kleine hersentjes leggen langzaam het verband tussen de vogels waar hij zoveel van houdt, het engeltje in de kerstboom op school, en de mensen die onder de grond slapen op het kerkhof waar zijn opa ligt. Net als in De verwording is de dood niet iets afschrikwekkends en sombers, maar een nastrevenswaardige bevrijding. Nooit meer ademen, nooit meer dromen, nooit meer pijn; dat lijkt de diepongelukkige Arend geweldig. Hij probeert het geheim van de dood te doorgronden door een dode vlieg uit elkaar te halen. ``Je hoeft niet bang te zijn,' spreekt hij de vlieg moed in. ``Als je dood bent, voel je niets.'

Troost

Uitzonderlijk is dat Brijs geen andere troost biedt dan de dood. In Arends bestaan is bijna geen licht. Alleen zijn verzameling insectenvleugels en de liefde van zijn bovenbuurman geven hem enige troost. Maar deze lichtpuntjes weet Brijs snel te doven. Uit die schaarse momenten blijkt hoe gemakkelijk Arend gelukkig te maken is.

Even lijkt het geluk nabij, terwijl het in feite altijd ver weg is. Dat maakt de roman extra schrijnend. Zoals in de prachtige scène waarin Arend voor het eerst van zijn leven een volière ziet. De aanblik van veelkleurige parkieten bezorgt hem een groot geluksmoment. Maar in zijn onhandigheid laat hij de vogels ontsnappen, en knijpt er ook nog eentje dood. ``Arend fogel stuk maken,' zegt hij, verstikt van verdriet.

Brijs schrijft luchtig, terloops, met enig gevoel voor humor. Vooral het horrorbegin is grappig grotesk. Zoals `on-Nederlands' doorgaans als aanbeveling geldt, zo zou je Brijs `on-Vlaams' kunnen noemen. Anders dan bij veel zijner collega's tref je bij hem geen barokke, moeizaam geconstrueerde zinnen aan, gekruid met pittoreske Vlaamse zegswijzen waaraan het oog blijft haken. Brijs schrijft heldere, natuurlijk golvende zinnen, afgewisseld met korte afgemeten zinnen als zijn personages spreken. Arend praat in de primitieve, pure poëzie die kleuters eigen is: ``Als je dood bent, moet je in de grond. Dan krijg je een steen op je.'

De luchtige stijl maakt het loodzware onderwerp dragelijk. Arend is geen sombere roman. Brijs laat veel door de argeloze ogen van de kleuter zien, waardoor de wereld iets vervormds, kunstmatigs krijgt, als een sprookjeswereld die alleen in de roman kan bestaan.

Zo maakt hij ook aannemelijk dat doodgaan een goede afloop kan zijn. Sterven is immers slechts een verlate correctie van wat niet had moeten gebeuren: `Arend had nooit geboren mogen worden.' Binnen de romanwereld klopt dat, dus heeft de lezer er vrede mee.

Stefan Brijs: Arend.

Atlas, 269 blz. ƒ39,90

    • Wilfred Takken