Die jurk hangt nog in de kast

Duifje Gout: ,,Ik kom uit Zoeterwoude. Ik woonde aan de Vrouwenweg, zo heette dat wijkje. Het was eigenlijk maar één straat. Aan het einde van de straat stond het klooster. 's Winters schaatsten de paters over de bevroren sloot. Het leken net pinguïns!

Mijn vader was lasser op een fabriek maar in z'n vrije tijd was hij muzikant. Hij deed ook Griekse acrobatiek. Menselijke piramides bouwen en zo. Een type hoor! Hij was een beetje een zigeuner, mijn vader. Op mijn achtste ging ik bij de Leidse Sleuteltjes zingen.

Mijn vader organiseerde op de fabriek bonte muziekavonden. Hij zei dan: `We gaan close harmony zingen.' Mijn zusje zong tweede stem en de derde stem deed mijn broer of mijn vader. We oefenden totdat iets subliems was bereikt.

Op mijn vijftiende wou ik niet meer leren. `O, maar dan weet ik wel een baantje voor jou', zei mijn moeder. Ik kwam in Leiden in een slagerij terecht. Ik was blij dat ik van school kon.

In weekends trad ik met mijn zusje op. The Gold Sisters noemden we ons en toen zij ermee ophield werd ik Dianah Gold. Later veranderde ik dat in Daniela. Via een manager kreeg ik in 1966 een aanbieding om mee te doen in een Nederlandse speelfilm genaamd 10.32. Ik denk dat het door mijn uitstraling kwam. Ik kon goed toneel spelen, hoor!

Een fragment van de film speelt in een nachtclub en daar treedt het Rotterdamse bandje `The Explosions' op en ik ben het nachtclub zangeresje en het nummer dat ik zing blijkt dan een cruciale rol te spelen in de oplossing van een moord. De twee liedjes uit de film `Beware Beware' en `Perry' werden in 1966 op single uitgebracht: `Two songs from the motion picture' stond er op het hoesje. Het enige wat ik er aan heb overgehouden is de zwarte jurk die ik in de film draag. Die heb ik nog steeds in de kast hangen. Wat ik mij als hoogtepunt herinner was dat ik bij de première met Linda Christian en Eric Schneider op de foto mocht.

De film kreeg slechte kritieken maar ik kon nog wel een poosje met de Explosions door het hele land blijven optreden. Ik had een eigen autootje, een zogenaamde `Duitse Deuk'. Dat waren auto's uit Duitsland die schade hadden opgelopen. Die werden hier opgeknapt en voor weinig geld verkocht. Een 2-cilinder BMW de Luxe. De jongens van de band hadden een busje en daar reed ik met mijn autootje achteraan. Hoe ik dat in godsnaam gedaan heb, die afstanden, ik zou het niet meer durven. Maar ik kwam er! Ik reed wel honderdtwintig!

De maatschappij was volgens het contract verplicht om nog een plaatje te maken. Je had uit het buitenland de zogenaamde `witte' plaatjes en daar werd dan een Nederlandse tekst op gemaakt. De vertalers werden nauwelijks genoemd. In 1967 kwam `De Boom Lay Boom' uit. Er zijn er vijfhonderd geperst en een paar honderd van verkocht. Het heeft de platenmaatschappij alleen maar geld gekost, denk ik.

Na de periode met de Explosions kwam een andere bandje. In de `Yvonne'-bar tegenover het Hollands Spoor in Den Haag konden we iedere avond terecht, maar dan zat je daar te wachten totdat om tien, elf uur de eerste mensen binnen kwamen. Afijn, we hebben daar een week gespeeld en in de tweede week riep de baas een van de jongens apart. `Die zangeres is niet brutaal genoeg.' Ik moest de zaal inlopen en hier en daar bij de mannelijke klanten op een knie gaan zitten en over een bolletje aaien. Ja , animeren dus.

De jongens kwamen bij mij: `Waarom ga je niet een beetje meer...' Ik zeg: `Luister eens, ik sta hier te zingen, ik ben geen hoer!' Ze zeiden: `Ja, maar dan hebben we tenminste werk!' Want we hadden maar gerepeteerd en gerepeteerd, een heel avondrepertoire hadden we opgebouwd! Maar ik verdomde het. Ik dacht: `Als ik daar aan toe ga geven dan sta ik straks in de Doubletstraat te zingen.'

Nou, ik voldeed dus niet aan de eisen van de baas en toen kon ik `moven', ophoepelen, en ik had daar zo de balen van dat ik dacht: `Ik stap er helemaal uit, ik ga weer aan het werk en ik zie wel hoe het verder allemaal gaat.'

Dat was het breekpunt, ja. Ik ben naar huis gegaan en bij mijn oude baas in de slagerij werd ik met open armen ontvangen: ik kon zo weer beginnen.

Ik was net weer begonnen te werken en wat gebeurt er? Ik word opgebeld door een van de jongens van The Fellows: `We zitten zonder zanger, wil jij die contractjes die we nog hebben met ons afmaken?'

We repeteerden ergens in een kamertje dat zo klein was dat ik in de deuropening moest staan. De drummer had de gewoonte altijd schuin opzij te kijken tijdens het drummen, ik dacht dat ie de hele tijd naar mij zat te kijken! We hebben eigenlijk een hele leuke tijd met die band gehad, veel nachtclubwerk. In 1968 zijn de drummer en ik getrouwd. Mijn eerste zoon heb ik gekregen toen ik dertig was en toen ben ik gestopt. Ik had daar wel vrede mee: je hebt kinderen en daar ben je al die tijd mee bezig.

Ik had veertien jaar niet gezongen, toen mijn man zei: `Waarom ga je niet weer bij ons zingen?' De eerste avond was met carnaval. Ik was meteen al een stuk brutaler, ik had meer durf dan vroeger. Ik voelde me net Tina Turner. Ja, je bent moeder geworden en rijper en ik had zoiets van: wat doen ze me?

We hebben veel personeelsfeesten gedaan en dat wordt nu allemaal wat minder. Er van te kunnen leven? Dat heeft mijn man altijd graag gewild, maar nee...

Het optreden is toch een toneelspel, hè? Al heb ik een pestbui, dan kan ik tijdens het optreden toch staan lachen. We gaan door totdat ze zeggen : `Nou, er staan nu toch van die ouwe sokken op het toneel!'

Ik denk met heel veel plezier terug aan vroeger. Waar ik niet bij stil heb gestaan is dat je wordt ontdekt en direct in een bepaald hoekje gestopt. Zo van: zo kan je zus of zo het beste doen en in dit of dat stijltje. Omdat ik niet de juiste mensen om me heen heb gehad blijf je een beetje zweven: ik vond alles leuk.

Ik heb nog eens tijdens zo'n stille periode auditie gedaan met een pianist. We speelden vier nummers in. Affijn, ik kreeg een nette brief terug: het was goed, het was muzikaal, maar er was geen markt voor.''

    • Frank Dam