De huid van het geheugen

`Ik heb nog nooit een boek aangeschaft om het blote uiterlijk. Inhoud en vormgeving moeten samenvallen.' Jan Wolkers over typografie.

In het sterfhuis van mijn moeder, nadat ik met mijn broers en zusters de gang van zaken bij de begrafenis had besproken en ze allemaal waren vertrokken naar de slaapkamer waar ze opgebaard lag, nam ik de in zwart kalfsleer gebonden bijbel van de hoek van de schoorsteenmantel waar hij, besefte ik ineens, meer dan een halve eeuw gelegen had. Het plechtige boekwerk zag eruit of het niet in 1921 na de ondertrouw van mijn ouders bij Ten Have in de Kalverstraat gekocht was, maar vorige maand. Het goudstempel blonk als een hoofdijzer, alleen het verguld op snee was enigszins rembrandtiek versleten. Er had nooit een boekenlegger in gezeten. Mijn vader wist zo precies waar hij gebleven was na de vorige maaltijd, dat ik de Egyptische schildering van de blinde harpspeler voor me zag die zonder aarzeling de snaren weet te vinden. Behalve de oren van de ezelin van Bileam was er geen ezelsoor in die meer dan duizend pagina's te bekennen. Misschien is dat wel genetisch bepaald in gezinnen waar het boek der boeken sinds vele generaties de boventoon voert, het zorgvuldig omgaan met het geschreven woord. Boeken die al tientallen jaren in mijn bezit zijn en ettelijke malen herlezen, kunnen moeilijk tweedehands verkocht worden.

Terwijl ik het lijvige boekwerk op zijn plaats teruglegde, viel het me voor het eerst van mijn leven op dat er geen auteur op de band vermeld stond. Bij God, dacht ik met een glimlach. Wat zou daar de reden wel van kunnen zijn.

Als je de inhoud van een boek bijna letterlijk kent, hoef je het niet open te slaan om een lawine aan beelden en verhalen over je uitgestort te krijgen. Het omslag is de huid van het geheugen. Bij het aanschouwen van het plechtig zwart en goud zag ik de etter en de roofjes van de boze zweren waarmee Satan Job geslagen had aan de rand van de potscherf zitten waarmee hij zich schrabde tegen de waanzinnigmakende jeuk. Ik rook de geur van warm bloed die van de veelverwigen rok van Jozef afdampte, de lievelingszoon van Jacob, toen zijn jaloerse broeders hem aan een slavenhandelaar verkocht hadden en het kleurige kledingstuk in het bloed van een geslachte bok onderdompelden om hun vader wijs te maken dat hij door een wild dier was verscheurd. Ik zag Jona in het ingewand van een grote vis zitten als in een glibberig vooronder, waarin hij drie dagen en drie nachten de detentie moest verblijven omdat hij weigerde een goddelijke opdracht uit te voeren. En als een gravure van Gustave Doré nam ik de aarde waar in woeste ledigheid en de duisternis die op de afgrond was en de geest Gods die als een dikke mist de chaos bedekte.

Boven de schoorsteenmantel, hoog boven het oudtestamentisch rumoer, hing een stilleven dat ik niet lang na het beëindigen van de tweede wereldoorlog geschilderd had. Op de voorgrond lag een boek dat achter de geallieerde bevrijders aan weer in Europa verspreid kon worden. Een roman van Ernest Hemingway. A Farewell to Arms in de gele Albatrosuitgave. Een schitterend heimwee-aanhangend geel. Zelfs geschilderd bracht het omslag de onvergetelijke beginregels van het magnifieke meesterwerk in mijn herinnering. In the late summer of that year we lived in a house in a village that looked acrosss the river and the plain to the mountains. In the bed of the river there were pebbles and boulders, dry and white in the sun, and the water was clear and swiftly moving and blue in the channels. Troops went by the house and down the road and the dust they raised powdered the leaves of the trees.

En wie valt niet de eerste alinea te binnen van L'étranger van Albert Camus bij het zien van het omslag van de Livre de Poche met die eenzame jongeman erop die zijn noodlot tegemoet gaat. `AUJOURD'HUI, maman est morte. Ou peut-être hier, je ne sais pas. J'ai reçu un télégramme de l'asile, Mère décédée. Enterrement demain. Sentiments distingués.' Cela ne vent rien dire. C'était peut-être hier.' Pas later kreeg ik L'étranger in de schitterende uitgave van Gallimard met de titel in rode kapitalen onder ogen. Maar toen was het te laat. De tekst was voorgoed gekoppeld aan het omslag met de illustratie van die tengere knaap in zijn grijze kostuum, hoewel je tijdens het lezen toch eerder iemand met het postuur en de uitstraling van Zinédine Zidane, de voetbalster van Algerijnse afkomst, voor je zag.

Het omslag van een klein grijs boekje kan je doen rillen van de vervoering van je eerste verliefdheden. FRIEDRICH HÖLDERLIN staat er in matdonkerblauwe letters op. Een portret van den dichter uit zijn werken en brieven. Het is de vierentwintigste maart 1945 in mijn bezit gekomen en is vertaald en ingeleid door Roel Houwink. Ik heb het gelezen en talloze malen herlezen als ik van het tekenen in het bos om Poelgeest terug was gekomen, naast de kachel, in de waterdamp die zich verspreidde van de ketel met suikerbietennat dat op het vuur stond te verdampen tot stroop. Wij zijn als vuur, dat in dorre takken of in steen sluimert, en houden niet op te worstelen om het einde van die beklemmende gevangenschap te bereiken. En jij, jij hebt mij den weg gewezen! Met jou begon ik. De dagen, waarop ik jou niet kende, zijn niet waard genoemd te worden. O, Diotima, Diotima, hemelsch wezen! En ondertussen moest je in de gaten houden dat het suikerbietennat niet te ver inkookte zodat de stroop als teer onder in de ketel kwam te zitten. Trouwens, de meisjes die dat verheven proza in me opriepen heetten gewoon Rietje, Carla of Anneke. Maar ook al reikte je verrukking niet tot in de hemelen, zoals bij Hölderlin, je kwam wel in de buurt van de Andromeda-nevel. Wee mij, waar, als het wintert,/ vind ik de bloemen, en waar/ de zonneschijn/ en schaduw der aarde?

Soms bezit je een boek waarvan de aanblik een hele jeugdliefde voor je ontvouwt als je langs je boekenkast loopt. De bordeauxrode linnen rug met gouden opdruk. JAN VAN NIJLEN — GEDICHTEN. Gezet met de Bembo-letter en gedrukt bij de firma Boosten & Stols te Maastricht in het jaar 1944. Het is niet te geloven dat in die verworden tijd van honger en terreur er nog een dichtbundel werd verspreid. Gelukkig maar! Poesie muß sein! Maar het papier was zo slecht in dat laatste oorlogsjaar dat het op snee zo bruin geworden is als gekookte lever die een dag in de zon heeft gestaan. Je hoeft het boek niet open te slaan om voor je te zien dat op het schutblad geschreven staat in je schoolse handschrift van die tijd, Gekregen van Anneke. 5-12-1944. Eronder is een bosje springerig haar geplakt dat uitloopt in fijne arabesken die met een scherpgepunte stift getrokken lijken. Het haar is nog steeds donkerblond met een roodbruin zweem. Heel lang geleden, als je eraan rook, meende je een jongemeisjesgeur van buitenlucht en goedkoop parfum te ontwaren. Nu, na meer dan een halve eeuw, ruikt het net zo muf en doods als het papier van de gedichtenbundel van Jan van Nijlen. Er komen de laatste twee terzinen van een sonnet in je op dat je haar zo vaak hebt voorgelezen. Maar eenmaal komt een zomernacht als deze/ Dat ze in een ster of in een vogelkreet/ Het uur herkennen dat geheel hun wezen/ Deed rillen van een bovenaards genot,/ Om te verkeren in 't onzegbaar leed/ Der eenzaamheid. Dan zijn zij rijp voor God. Met schroom vraag je je af of dat kapsel, door de tijd zilverwit uitgeloogd nog gedragen wordt of dat het als papierwol in de aarde is vergaan met alles wat in je herinnering zo tastbaar is gebleven dat je het zou kunnen strelen.

In het begin van de oorlog, toen ik als zestienjarige jongen naar de Avondtekenschool in Leiden ging, kreeg ik voor het eerst, onder de kop VAKTEKENEN, ook les in het ontwerpen van boekomslagen. Het was voornamelijk een soort onhandige nabloei van art deco en de lessen hadden een muffe plompe plakkaatverfsfeer. De jongens om mij heen, die volgens mij zelden een boek ter hand hadden genomen en die als ideaal hadden om grote doeken met felgekleurde letters en opwindende afbeeldingen boven de ingang van de Luxor, de Rialto of de Trianon te bekwasten, maakten, meestal op een roze en gele ondergrond, grijze letters als hekwerken die robuust genoeg leken om een kwade stier te keren en die het nog het beste zouden doen in cafetaria's om ice-cream sodas en metalen coupes met ijs aan te prijzen of porties glazige stamppot met een kuiltje namaakjus en een bal schijngehakt. Pas toen ik Jan Vermeulen ontmoette in de boekhandel van Burgersdijk & Niermans in de Breestraat waar hij als verkoper werkte, en we bevriend raakten, kreeg ik door zijn enthousiasme enige notie van wat een boek kon voorstellen als kunstzinnig gebruiksvoorwerp. Hij kon geen boek in handen krijgen of hij zag meteeen uit welke letter het gezet was en keek kritisch of hij zijn goedkeuring kon hechten aan de verhouding tussen bladspiegel en zetspiegel en of de interlinie harmonieus was. Later in de oorlog stichtte hij een kleine clandestiene uitgeverij, de Molenpers, waar hij Tot Nader Order van Hans van Straten, Morendo van Gerrit Achterberg, Elf Sonnetten op Friesland van Bertus Aafjes en enkele gedichtenbundels van zichzelf liet verschijnen.

Vlak na de oorlog, toen ik op de Haagse Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten studeerde – ik heb er zelfs nog les in lettertekenen van Sem Hartz gehad – waar ik dagelijks vanuit Leiden op de fiets heen ging, reed ik op de terugweg vaak even Wassenaar in, naar een romantisch huis in de lommerrijke Hertenlaan, waar Jan Vermeulen leerling en assistent was van Henri Friedlaender. We konden geen van beiden vermoeden dat hij binnen vijftien jaar de mooiste omslagen voor mijn romans en verhalenbundels zou ontwerpen.

Het zal duidelijk zijn dat ik een fervent voorstander ben van een typografisch omslag. De omslagen van Jan Vermeulen voor mijn werk werden vaak bij een vertaling door de buitenlandse uitgever overgenomen en bij de verfilming van Turks Fruit is zijn belettering via de bioscoopdoeken de hele wereld overgegaan. Een keer hebben we als een soort grap, bij de tweeëntwintigste druk van Kort Amerikaans, een James Avati-achtig omslag door Pim van Boxsel laten maken van het dramatisch hoogtepunt uit de roman. Als de Griekse torso waar de held van het verhaal de liefde mee bedrijft voor zijn ogen aan scherven gegooid gaat worden door de heldin. Prompt kreeg ik kwaaie brieven waarin men zich afvroeg wie die engerd op het omslag wel mocht wezen (men kan dus zien dat de illustrator mijn uiterlijk uit die ver vervlogen tijd niet als uitgangspunt voor die scène had gekozen!) en dat het voetstuk van het opgepompte torsje een vrijage schier onmogelijk maakte op straffe van castratie. En na de verfilming van deze roman kreeg ik nogal wat brieven van mensen die later het boek lazen en me verwijtend vroegen waarom ik had toegestaan dat er zo onhandig met een tors de liefde bedreven werd. Ik schreef dan terug dat je moeilijk achter de regisseur kunt gaan staan om hem erop te wijzen dat men zo niet met Griekse beeldhouwkunst cohabiteert. En van Turks Fruit ontving ik soms Duitse uitgaven met een afbeelding op het omslag waaruit men wel moest afleiden dat de hierin beschreven liefdesgeschiedenis zich afspeelt op de Reeperbahn. Een soort prostituee die rondspringend in opgeschroefde kippendrift een koudwaterorgasme voorwendt. En ook dat nog, ze had niet eens rood haar.

De voorzijde van een boek mag dan voor zijn uiterlijke verschijning het belangrijkst zijn, ook de achterzijde kan boekdelen spreken en zelfs de voorkant gaan overheersen. Toen indertijd de pocket van Other Voices, Other Rooms verscheen, met op de achterkant het van narcisme doortrokken masturbatiegelaat van Truman Capote, die als het ware panklaar languissant op een divan nedergevlijd lag, heb ik bij menige boekhandel het boekje in grote rijen beurtelings met voor- en achterkant geëtaleerd gezien. Waarschijnlijk dacht men op deze manier het lezerspubliek dat niet ongenegen was ten opzichte van de Griekse beginselen, tot aankoop te stimuleren. Maar er zijn ook boeken waarop in een driest gebrek aan mensenkennis de uitgever het portret van de schrijver full page op de voorzijde heeft laten afdrukken, zodat de eventuele lezer maar al te vaak afziet van de aanschaf omdat hij geen syllabe van wat die tronie bedacht mocht hebben tot zich wenst te nemen. In de meeste gevallen zal de uitgever over een rijkgetalenteerde retoucheur moeten kunnen beschikken om een dergelijke uitgave letterlijk aan de man te brengen. Ik zal mij onthouden van het in de openbaarheid brengen van een lijst van collega's die hun uitgevers ervan zullen moeten weerhouden om hun werk zo het licht te doen zien.

Bij mijn weten heb ik nog nooit een boek aangeschaft om het blote uiterlijk. Inhoud en vormgeving moeten samenvallen. Ik zal nooit ofte nimmer een bemind boek kopen in een voddig omslag. Ik ben daar vrij rigide in. Zelfs bij de aanschaf van zoiets simpels als postzegels zal ik ten postkantore altijd kijken of ze die meer dan prachtige serie nog in voorraad hebben die Wim Crouwel voor de PTT ontwierp, met enkel kleur en de waarde, omdat er nog nooit op postzegelformaat zoveel ruimte is gecreëerd. Als ik de inhoud en de vormgeving van een boek erg goed vind blijft het, nadat ik het vele malen gelezen heb, nog maanden in het zicht liggen. Een glas om te breken van Gerrit Kouwenaar, Beowulf in het Oud Engels en vertaald door Seamus Heany, Als in een droom van Remco Campert, de fraaie boekjes die Marlous Bervoets voor mijn werk ontworpen heeft, Zwarte Bevrijding en Icarus en de vliegende tering, de uitgave van het Gemeente Museum Den Haag Piet Mondriaan Victory Boogie Woogie. Ik kan zo nog vele pagina's doorgaan. Voordat ze in mijn boekenkasten verdwijnen leef ik tussen stapels boeken als tussen bloeiende struiken. Als je van boeken houdt om verscheidene redenen moet je wel een gelukkig mens zijn.

Deze tekst is ook afgedrukt in de catalogus die verschijnt bij de tentoonstelling `De Best Verzorgde Boeken 1999', die vanaf vandaag t/m 2 juli te zien is in het Stedelijk Museum Amsterdam.

    • Jan Wolkers