Culturele gelijkschakeling

,,Wat gebeurt er met de instellingen die straks de deur moeten sluiten?'' vroeg de Volkskrant aan de voorzitter van de Raad voor Cultuur, mevrouw W.Sorgdrager.

,,Ik kan me voorstellen dat daar een sociaal plan voor komt. Het is natuurlijk erg voor die mensen, maar sommigen zullen wel weer elders werk vinden. Voor iemand die 25 jaar bij de tweede violen heeft gezeten, wordt het moeilijk, dat beseffen we. Daarom hebben we voorgesteld een speciale commissie in het leven te roepen die dat gaat begeleiden.''

Vervang `instellingen' door `leveranciers' en tweede violen door `vleugeltesting' en je zou denken dat er weer een doorstart voor Fokker aan de orde is.

Voor het budget van 742 miljoen gulden waren 754 aanvragen binnengekomen. De Raad voor Cultuur heeft in zijn advies 422 instellingen voor subsidie voorgedragen, waaronder 170 die hun debuut op de markt maken.

,,Kwaliteit is het eerste criterium'', zei mevrouw Sorgdrager. Kwaliteit volgens wie. Ieder van de adviserende commissieleden heeft van huis uit een ander idee meegekregen van wat mooie muziek of interessant toneel is. Aan de andere kant, stel ik me verder voor, heeft iedere commissie een lijst met vragen ter toetsing van de objectieve kwaliteit volgens de Raad. Er is een beoordelaar met een diepe haat tegen Beckett. Hij moet een aanvraag beoordelen van een gezelschap dat Beckett altijd op het repertoire heeft. Raakt hij in gewetensnood?

Vergeefs probeer ik me een voorstelling van deze culturele gang van zaken te maken. Wel kan ik me goed indenken dat een tweede viool graag wat nader inzicht wil hebben voor hij na 25 jaar toegewijd strijken per decreet in een sociaal plan wordt geduwd of werk krijgt aangeboden als portier van het Concertgebouw.

Zolang de staat de kunsten subsidieert, zolang zal bureaucratisering de kunsten begeleiden. Hoe meer geld, hoe meer aanvragen, hoe ingewikkelder het bureaucratisch proces. Dat valt niet te vermijden. En nu wordt bewezen dat voor de kunstenaar de bureaucratie van de ene dag op de andere van beste vriend in beul kan veranderen. Daaruit vloeit voor de artistieke `instellingen' de levensvraag voort: Hoe vermijd ik mijn onthoofding?

Daarop kunnen twee vragen worden gegeven: de politieke en de artistiek-tactische.

Toneelgezelschap De Appel dat niets meer krijgt, `is inmiddels gewend aan een afwijzing. Vier jaar geleden pareerde de groep na krachtig lobbywerk met succes een negatief advies.' Wat is `krachtig lobbywerk'? Vrienden in de politiek bellen, mensen bepraten, op hun kunstzin, invloed, loyaliteit, geweten, al hun bewonderenswaardige eigenschappen werken. Ik ken iemand die een poosje ten behoeve van de kunsten lobbyist in deeltijd is geweest. ,,Je kunt me dan het best voorstellen als iemand die met garen en band langs de deur gaat'', zei hij. ,,Je bent trots op je handel, en toch is het nederig werk.'' Is het goed voor de kunstenaar? Misschien als hij Willy Loman in De dood van een handelsreiziger speelt.

En dan het artistiek-tactische antwoord. In haar ondoorgrondelijke goedertierendheid, als verdeelster der miljoenen, verschijnt de overheid als partij op de vrije markt: betalende partij. In haar subsidiërende rol vermomt ze zich als koper. In sommige gevallen kan de koper in beul veranderen. Zouden de afhankelijke kunstenaars dan niet in de verleiding komen, de koper bij voorbaat zoveel mogelijk plezier te doen, zijn wensen te raden en te vervullen?

Zo gaat het menigmaal bij de televisie. De overheid van een programma is dan de combinatie van kijkdichtheid en de belangstelling der adverteerders: niet groot genoeg en te weinig en zo'n programma is in levensgevaar. Aanpassen of sterven, is de keus. Daardoor bevordert de televisie de culturele gelijkschakeling.

Een subsidiërende overheid die in plaats van de kaasschaaf, zoals mevrouw Sorgdrager het noemt, de guillotine hanteert, doet feitelijk hetzelfde. Om het eens onpoëtisch te zeggen: daar betaalt de kunstminnaar geen belasting voor.

    • H.J.A. Hofland