Biologische snelweg

Wat een drukte, daar in de meidoorn. Rond de kleine, witte bloemen zoemen zweefvliegen en langpootmuggen. Er fladdert een koolwitje voorbij. Tuinslakken zitten bewegingsloos op de meidoorntakken. Een lieveheersbeestje kruipt langs de stam omhoog. Een kleine, groene spin laat zich aan zijn draad naar beneden zakken. Een merel vliegt kwetterend weg. Een paar tellen later wordt hij gevolgd door een kwikstaart.

Vijf meter verderop staat nog een meidoorn. Na dertig passen komt er weer een. In totaal staan er wel een stuk of twintig, netjes op een rij, tussen twee weilanden in. Het ene weiland is verlaten. In een hoek van het andere weiland liggen elf koeien, vlak bij elkaar. Ze herkauwen het gras dat ze enkele uren eerder hebben staan grazen. Het is warm. En windstil.

Vroeger plantten boeren rond hun akkers vaak meidoornhagen. De dicht op elkaar staande struiken dienden als omheining. De koeien, varkens of schapen bleven dan netjes in het weiland, want ze waagden het niet om zich door de scherp gedoornde takken te wringen. De boeren dichtten de meidoorn bovendien geneeskracht toe. Van de bloemen en de bladeren werden medicijnen gemaakt tegen hoge bloeddruk, slapeloosheid en hartziekten.

De meidoornhaag is op veel plaatsen verdwenen. De boeren hebben hem weggehaald. Hun akkers werden door ruilverkaveling namelijk groter en groter. Ze hoefden hun weilanden steeds minder af te schermen voor het vee van de buurman. Bovendien vond de boer een andere manier om zijn land af te zetten. Hij verving de struiken door prikkeldraad. En voor medicijnen tegen hoge bloeddruk of slapeloosheid ging hij voortaan gewoon naar de dokter.

Het is jammer dat veel meidoornhagen zijn verdwenen, want het barst er van het leven. Dat zie je hier, aan de rand van dit weiland. Naast een meidoorn staat een vlier. Een eind verderop een braam en een hondsroos. Soms vind je in de meidoornhaag ook de hazelaar, de kamperfoelie of de kardinaalsmuts. Onderin de heg kunnen paardebloem, vogelmuur, bereklauw en zilverschoon groeien. Het krioelt er van de insecten, zoals kevers, vliegen en vlinders. Dat trekt weer vogels aan. Aan de andere kant van het weiland hippen twee eksters door het gras. In de verte hoor je een fazant. Soms zie je ook roodborstjes, zwartkopjes of geelgorsen. En ook zoogdieren zoals egels, spitsmuizen en eekhoorns houden zich nog wel eens op in de meidoornhagen.

Het dichte struikgewas biedt de dieren beschutting. Muizen en eekhoorns komen liever niet in het open weiland, want daar zijn ze een makkelijke prooi voor bijvoorbeeld roofvogels. Kevers, spinnen, duizendpoten, mijten en teken kunnen de meidoornhagen gebruiken om van het ene bosje naar het andere te komen. De haag dient als het ware als `biologische snelweg'. Zonder die haag geen snelweg. Daardoor wordt de afstand tussen de bosjes moeilijk overbrugbaar. De dieren blijven in hun bosje en raken geïsoleerd. Ze zijn kwetsbaarder omdat ze zich amper kunnen verspreiden. Dat is vervelend. Bijvoorbeeld als er voedseltekort heerst, of als er een bosbrand uitbreekt.