Warm eten doe je 's middags

In Friesland en Groningen zitten ze niet te wachten op de toestroom van westerlingen. De vrees bestaat dat de woningen voor de oorspronkelijke dorpsbewoners onbetaalbaar worden.

VEERTIG JAAR GELEDEN zetten ze een krant achter een bloempot als teken aan de rijdende kapper dat een knipbeurt nodig was. Het echtpaar Willy en Harm Betten uit het Friese dorp Elsloo (650 inwoners, gemeente Ooststellingwerf) weet het zich nog haarfijn te herinneren. In de jaren zestig was het dorp vrijwel geheel `zelfvoorzienend' met twee warme bakkers, twee kruideniers, vier cafés en de rijdende kapper, die elke vrijdag met zijn zoon de ronde deed.

Er is veel veranderd. Vorig jaar sloot de laatste dorpswinkel zijn deuren. Nu rijdt het echtpaar voor zijn inkopen naar de buurtsuper in het nabijgelegen Makkinga. Ze hebben nooit overwogen naar een grotere plaats te verhuizen met meer winkels en voorzieningen. ,,Ik ben niet overdreven kooplustig'', zegt Willy Betten – geboren en getogen in Elsloo – nuchter. ,,En ik hou niet van grote supermarkten waar je zo lang voor de kassa moet wachten.'' Drie jaar geleden verhuisden zij en haar man vanuit de dorpskom naar een vrijstaande woning even daarbuiten. De rust vinden ze weldadig. Nadelen van het wonen op het platteland zou Willy Betten niet kunnen noemen. Zelfs het feit dat ze geen auto rijdt ervaart ze niet als een handicap. ,,Ik neem liever de fiets. Oosterwolde is hier zo'n negen kilometer vandaan. Je moet toch als vijftiger in beweging blijven.''

Harm Betten, geboren in Makkinga, woont sinds 1961 in Elsloo, toen hij een baan kreeg op het kantoor van het plaatselijke coöperatieve loon- en mechanisatiebedrijf. Hij werd er bedrijfsleider en zes jaar geleden nam hij het bedrijf met zijn zoon over. In de jaren zeventig toog hij met een stel boze Elslooërs naar een gemeentelijke informatieavond in Makkinga. Betten: ,,Elsloo mocht van de gemeente niet uitbreiden. Daar hebben we indertijd met succes tegen geprotesteerd. Er kwamen tien bejaardenwoningen bij.'' Vorig jaar werden er aan de noordkant van het dorp 25 nieuwe woningen bijgebouwd. Betten noemt die uitbreiding ,,een geweldige impuls''. Al had hij liever gezien dat er tot 2010 elk jaar vier à vijf nieuwe woningen waren bijgekomen. Dan namelijk hadden inwoners van Elsloo zelf ook een kans op de woningmarkt gehad. ,,Nu komen er veel westerlingen op de bouwgrond af.'' Niet dat hij wil discrimineren, ,,maar ze missen het echte dorpsgevoel zoals wij het kennen. Ze hebben het druk en bemoeien zich niet of nauwelijks met de gemeenschap.''

Op een grote toestroom van `westerlingen' zit men in Friesland (en Groningen) niet te wachten, zo blijkt uit een enquête van het ministerie van VROM. Zestig procent vindt dat de `overloop' uit het westen moet worden gestopt, omdat het anders gedaan is met de rust en ruimte op het platteland. Of zoals voorzitter Geeske Krol-Benedictus van de Feriening Lytse Doarpen Fryslân (Vereniging van Kleine Dorpen Friesland) zegt: ,,De woningen die bij de grotere dorpen worden gebouwd, worden snel opgesoupeerd door kapitaalkrachtige mensen van buiten de provincie.'' Omdat er maar beperkt mag worden gebouwd, is de woningmarkt in de meeste kleine dorpen in Friesland krap. Het gevolg is hoge woningprijzen. Krol-Benedictus: ,,In een paar jaar tijds zijn de woningen hier twee tot drie keer zo duur geworden.''

Zo worden ze onbetaalbaar voor in het dorp geboren en getogen bewoners met een smallere beurs, is de vrees. ,,Terwijl een kern van autochtonen belangrijk is voor het voortbestaan van een dorpsgemeenschap en de sociale cohesie'', stelt Krol-Benedictus. ,,In een hechte dorpsgemeenschap kijken mensen naar elkaar om. Er is zorg voor elkaar. Zoals vroeger in de Jordaan.'' Ze pleit net als Betten voor gefaseerd bouwen in de dorpen. Dus niet in één keer twintig nieuwe huizen bouwen, maar dit aantal in de tijd spreiden.

Betten en Krol-Benedictus zijn voorstander van een beleid zoals de gemeenten Achtkarspelen en Kollumerland hanteren. Alleen mensen die sociaal of economisch gebonden zijn aan het dorp mogen intekenen op de uitgifte van een bouwkavel. Een westerling die in Drogeham wil gaan wonen, krijgt dus geen kans. ,,Discriminatie? Er is nu eenmaal veel onvrede onder dorpelingen die hier geboren en getogen zijn en plaats moeten maken voor een Amsterdammer die zijn woning duur verkoopt en hier riant gaat wonen'', zegt een woordvoerder van Achtkarspelen.

Westerlinge Hanneke Brand uit Westhoek (287 inwoners, gemeente Het Bildt) kan zich er iets bij voorstellen. Zij en haar man Hein Rosman kochten zes jaar geleden een dijkwoning aan de Oudebildtdijk 1222, op een paar honderd meter achter de Noordwest-Friese waddendijk. Brand en Rosman verhuisden uit Lisserbroek, omdat ze een ruimere woning zochten en stalruimte voor hun drie paarden. Het voormalige dienstpand van het waterschap uit 1890, een rijksmonument, stond indertijd te koop voor 165.000 gulden. ,,Voor westerlingen was dat spotgoedkoop, maar voor veel mensen uit deze omgeving duur'', vertelt Brand.

In de woonkamer van de dijkwoning bieden zes grote ramen een uniek uitzicht over het weidse Friese land en de waddendijk. Rosman wijst op een imposante wolkenpartij: ,,Je hebt hier geen schilderij nodig'', glimlacht hij. Hij geniet vooral van ,,de rust, de ruimte en de schone lucht''. Zijn vrouw spreken daarnaast de prachtige zonsondergangen aan. Brand werkte tot voor kort in een van de twee souvenirwinkels van haar moeder in Amsterdam. Ze reed de ene dag heen en de andere terug. ,,Is in anderhalf uur te doen.'' Maar sinds haar moeder een winkel moest sluiten wegens gebrek aan gekwalificeerd personeel, zoekt ze een baan in de omgeving.

De psychologische afstand tussen de Randstad en Friesland is nog groot, ervaarde ook Brand. Hun kennissen uit het westen vonden het een eind naar dat noordwesten van Friesland. ,,Daarom kwamen ze aanvankelijk niet'', vertelt ze. ,,Maar als ze hier een keer geweest waren, wilden ze niet blijven slapen. `We rijden wel terug, want zo'n end is het niet', zeiden ze dan.'' Toch heeft ze geen romantisch beeld van wonen op het platteland. Er zijn dingen waar ze aan moest wennen. Zoals het feit dat de winkels in het nabijgelegen centrumdorp St. Annaparochie tussen de middag gesloten zijn. ,,Dan eten de mensen warm.'' Een ander nadeel: de meeste kleine middenstandswinkels vindt ze duurder dan in de stad. ,,Omdat er weinig concurrentie is, denk ik.'' Maar het valt haar op hoe trouw dorpelingen zijn aan hun eigen middenstand. ,,Er zit hier een elektriciteitswinkel aan de dijk, waarbij je je wel eens afvraagt hoe die kan bestaan. Maar de dorpelingen kopen daar hun televisie, want de service is heel goed.''

Rosman valt de grote mate van gemoedelijkheid en eerlijkheid op. ,,Hier staan groenten en bloemen aan de dijk te koop. In een potje kun je je geld daarvoor gooien. Je kunt zelfs wisselen! Dat hoef je in het westen niet te proberen. Daar zouden de groente en het geld allang gestolen zijn.''

Hanneke Brand herinnert zich nog hoe verbaasd ze was toen ze in het plaatselijke krantje Bildtse Post las dat er een fiets gestolen was. ,,Er stond bij dat degene die een goedkope fiets kreeg aangeboden wel moest bedenken dat hij een heler was.'' Ook de lijst van gevonden voorwerpen die er elke week in staat, frappeert haar telkens weer. ,,Die worden hier nog keurig naar de politie gebracht.''

PLATTELAND