Voetbal kan profiteren van Europees televisiebeleid

Vanuit Europees perspectief gezien bestaat geen reden mensen meer dan vroeger voor het voetbal te laten betalen. Een Europese televisieregeling kan hierbij behulpzaam zijn, vindt

Tsjalle van der Burg.

Staatssecretaris Van der Ploeg heeft onlangs de Tweede Kamer een lijst voorgelegd met televisieprogramma's die via het open net dienen te worden uitgezonden. De lijst is opvallend lang. Ze omvat onder meer de rechtstreekse uitzendingen van alle wedstrijden van het EK en WK voetbal, alle interlands van het Nederlands elftal, en alle wedstrijden van Nederlandse clubs in Europese competities.

Ook de samenvattingen van wedstrijden in de eredivisie moeten gratis blijven. Diverse andere sportieve en culturele evenementen mogen al evenmin achter de decoder.

De bedoeling is om de lijst straks naar de Europese Commissie te sturen, die aan alle lidstaten om zo'n lijst gevraagd heeft. De Commissie zal de lijsten toetsen aan het Europese Gemeenschapsrecht. Hiertoe zijn vier criteria geformuleerd, waarbij geldt dat een evenement aan minimaal twee criteria moet voldoen om op de lijst te kunnen komen:

1. Het evenement is van algemeen belang voor de nationale samenleving.

2. Het evenement heeft een bijzondere culturele betekenis.

3. Het evenement werd in het verleden ook reeds op het open net uitgezonden en had daarbij een grote kijkdichtheid.

4. Het gaat om een groot internationaal toernooi waaraan het nationale team meedoet.

Deze criteria zijn nogal vaag. De lidstaten blijken dan ook met sterk verschillende lijsten te komen. Andere landen gaan daarbij minder ver dan Nederland. Zo heeft geen enkele ander land de samenvattingen van de nationale competitie op de lijst gezet. Ook gaat men elders minder ver ten aanzien van Europese clubwedstrijden.

Op de Nederlandse lijst is kritiek geuit door directeur Tillieux van Canal Plus, die meer programma's achter de decoder wil. Tillieux stelde in de Volkskrant de vaagheid van de criteria ter discussie: ,,Als het Nederlands elftal gratis te zien moet zijn, waarom dan niet de concerten van de Golden Earring?'' Inderdaad zou men, uitgaande van de genoemde criteria, de lijst van Van der Ploeg net zo goed kunnen vervangen door de minder vergaande lijst van Duitsland. Maar de kritiek van Tillieux kan zich ook tegen hem keren. Men kan het immers ook omdraaien: de Duitse lijst moet worden uitgebreid.

Een ander probleem heeft onder meer betrekking op het voetbal, waar de rest van dit betoog zich vooral op richt. Nederland telt minder voetballiefhebbers dan de grote Europese landen. Hierdoor zijn de inkomsten van onze topclubs (afkomstig uit kaartverkoop, televisiebeelden, sponsoring en clubartikelen) in het algemeen lager dan die van topclubs uit grote landen.

Desondanks hebben Nederlandse clubs in het verleden, mede dankzij een goede jeugdopleiding, toch aansprekende Europese successen weten te behalen. De laatste jaren is de financiële achterstand op het buitenland echter verder gestegen.

Een van de redenen is dat andere landen verder zijn met betaaltelevisie, waardoor de clubs daar meer geld krijgen voor hun wedstrijdbeelden. In combinatie met het zogeheten Bosman-arrest heeft dit er toe geleid dat meer Nederlandse talenten naar het buitenland gaan. Hierdoor wordt de kans op Europese successen van Nederlandse topclubs kleiner.

Als het plan van Van der Ploeg doorgaat, zullen Nederlandse clubs ook in de toekomst weinig profijt trekken uit betaaltelevisie. Dit zou slecht zijn voor de kansen op Europees succes. Zo bezien gaan de Nederlandse fans er per saldo mogelijk op achteruit. Immers, velen zouden wel eens liever willen betalen voor beelden van soms nog redelijk goede Nederlandse teams dan gratis te kijken naar vrij zwakke Nederlandse teams.

Van der Ploeg zou er daarom wellicht goed aan doen expliciet naar voren te brengen welke criteria zouden gelden indien werd uitgegaan van economische theorie. Volgens deze theorie geldt – milieuvervuiling en soortgelijke problemen daargelaten – dat een land gebaat is bij zo laag mogelijke prijzen van goederen en diensten. Dit betekent onder meer dat het in principe niet goed is als een product dat jarenlang tegen een bepaalde prijs is aangeboden opeens duurder wordt, zoals nu bij de voetbalbeelden het geval is.

Er zijn slechts twee redenen waarom een prijsstijging wel gerechtvaardigd kan zijn. De eerste is een verbetering van de kwaliteit van het product. Hiervan is bij het voetbal volgens de meeste `kenners' geen sprake. De tweede reden is dat de productiefactoren waarmee het product gemaakt wordt, schaarser worden. Voor Nederlandse clubs worden goede voetballers wel degelijk schaars. Veel talentrijke spelers vertrekken naar het buitenland. De clubs kunnen dit alleen tegengaan door hogere salarissen te bieden. Als dit gezien de inkomsten onmogelijk wordt, zullen de elftallen minder sterk worden. Dit is weer het eerder genoemde punt: Nederlandse clubs zullen minder Europese successen behalen.

Op Europees niveau echter worden goede voetballers helemaal niet schaarser; er zijn niet minder goede spelers dan vroeger. Wel zijn de salarissen sterk gestegen. Dit is echter het gevolg van de hogere inkomsten van de clubs. Omdat clubs met elkaar concurreren om de beste spelers, moeten ze deze inkomsten wel gebruiken om de spelers meer te betalen. De hogere salarissen hebben dus niets te maken met het aanbod van spelers, zodat er niet meer schaarste is dan voorheen.

Vanuit Europees perspectief gezien bestaat geen reden om mensen meer dan vroeger voor het voetbal te laten betalen. Daarmee biedt de economische theorie de gewenste helderheid: het vergaande beleid van Van der Ploeg is, in elk geval bij het voetbal, het beste. Dit echter op voorwaarde dat alle Europese landen hetzelfde televisiebeleid voeren, omdat anders de financiële achterstand van de Nederlandse clubs te groot wordt.

Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan is het nut van het beleid twijfelachtig. De Nederlandse liefhebber betaalt dan weliswaar minder, maar beleeft ook minder plezier.

De vraag is nu of een vergaand Europees televisiebeleid politiek haalbaar is. Een soortgelijke vraag wordt ook regelmatig gesteld betreffende allerlei andere zinvolle maatregelen waarvoor politieke overeenstemming op Europees niveau nodig is, zoals de bronbelasting. Bij dergelijke maatregelen is er vaak een groot probleem: de Europese besluitvorming verloopt uiterst moeizaam, en in verband daarmee is het twijfelachtig of er uiteindelijk een goed beleid uit de bus komt.

Toch zijn discussies over dergelijke maatregelen altijd zinvol. Ze maken immers duidelijk wat de voordelen van een eensgezind Europa zijn, en waarom de Europese besluitvorming verbeterd zou moeten worden.

Een discussie over een populair onderwerp als het voetbal zou alleen hierom al een bijdrage kunnen leveren aan de Europese eenwording.

Dr. T. van der Burg is universitair docent Algemene Economie aan de Universiteit Twente.