Uitkering rijk blijft achter bij behoefte

De lokale lasten voor burgers zijn weer flink gestegen. Gemeenten moeten een steeds groter deel van hun inkomsten zelf verdienen.

Kabinet en Kamer - de landelijke politiek - maken de burger al jaren lekker met lastenverlichting. Miljarden guldens zijn daarvoor beschikbaar. Dat kan ook, want de rijksbegroting is sluitend en de economie loopt als een lier, dus het belastinggeld komt in ongekende hoeveelheden binnen.

Diezelfde burger wordt in zijn eigen woonplaats veelal voor het tweede achtereenvolgende jaar geconfronteerd met een aanzienlijke stijging van de lokale lasten.

Uit de vandaag door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) van de Rijksuniversiteit Groningen gepubliceerde Atlas van de lokale lasten 2000 blijkt dat die lokale lasten dit jaar gemiddeld met ruim zes procent zijn gestegen, aanzienlijk meer dan de inflatie van ruim twee procent.

Overigens zijn de verschillen tussen gemeenten groot: sommige gemeenten werden goedkoper, andere tientallen procenten duurder.

De vraag is waardoor die lasten zo snel stijgen. Hebben de gemeenten hun uitgaven niet in de hand? Willen ze steeds meer? Of kunnen ze het ook niet helpen? De onderzoekers van het COELO slagen er maar gedeeltelijk in om op die vragen een antwoord te vinden.

In financieel opzicht lijkt een gemeente wel op een puber: die krijgt zakgeld, maar verdient ook zelf bij met een baantje. Het zakgeld van de gemeente wordt gevormd door de uitkeringen van het rijk, die volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) goed zijn voor in totaal zo'n zestig procent van de gemeentelijke inkomsten. De eigen verdiensten van de gemeenten worden gevormd door heffingen, zoals de onroerendezaakbelasting en de afvalstoffenheffing, en een categorie `overige inkomsten', zoals inkomsten uit het grondbedrijf, pacht, verhuur en rente.

Ook in hun uitgaven zijn gemeenten niet geheel autonoom. Een aanzienlijk deel gaat op aan taken die de gemeente voor het rijk uitvoert, zoals het verstrekken van bijstandsuitkeringen. De bulk daarvan kan ook uit de rijksbijdragen worden gefinancierd.

Voor een ander deel van de taken mogen gemeenten specifieke heffingen opleggen aan burgers en bedrijven. Voorbeelden zijn de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De opbrengst van deze heffingen mag echter niet groter zijn dan de kosten van de taak. Op het ophalen van vuilnis mag een gemeente dus geen winst maken. Ten slotte is er dan nog een vrij besteedbaar deel. Hiervoor is een deel van de rijksbijdrage beschikbaar en voorts de opbrengst van de gemeentelijke belastingen. De onroerendezaakbelasting is daarvan verreweg de belangrijkste.

Alle gemeenten bij elkaar hebben voor het jaar 2000 zo'n 79 miljard gulden aan uitgaven begroot, zo blijkt uit CBS-cijfers. Daarvan wordt 49 miljard gedekt door specifieke inkomsten. Het gaat dan niet alleen om rijksbijdragen die specifiek voor dat doel worden verstrekt, maar ook om eigen heffingen. De resterende dertig miljard moeten de gemeenten uit hun algemene middelen betalen: de algemene uitkering uit het gemeentefonds (een rijksbijdrage), de opbrengst van gemeentelijke belastingen en eventueel de opbrengst van beleggingen.

Uit een vergelijking van de begrotingscijfers van 2000 met die van 1999 blijkt dat gemeenten dit jaar ruim anderhalf miljard méér willen uitgeven aan zaken die ze uit hun algemene middelen moeten betalen, ofwel ruim 5,4 procent meer. De algemene uitkering uit het gemeentefonds is echter maar één miljard gulden gestegen (4,4 procent).

Om de begroting sluitend te krijgen, moeten de gemeentelijke lasten dan extra omhoog, en wel met een half miljard voor alle gemeenten samen. Aangezien de totale opbrengst van gemeentelijke belastingen in 1999 circa vijf miljard bedroeg, moet de opbrengst van die belastingen met een procent of tien omhoog om dat half miljard bijeen te krijgen. De lastenstijging per huishouden is minder dan die tien procent, want een deel wordt betaald door bedrijven, en bovendien groeit het aantal huishoudens.

Kortom, achter de forse gemeentelijke lastenstijging gaat een ontwikkeling schuil dat gemeenten een steeds groter deel van hun `vrije' uitgaven zelf moeten betalen. De vraag is dan of de gemeenten vooral hun ambities opschroeven, wellicht mede onder invloed van de welvaart en van eisende burgers, of dat ze steeds meer taken in de schoenen krijgen geschoven van het rijk zonder dat daarbij door Den Haag voldoende middelen worden geleverd.

Het onderzoek van het COELO geeft daarover geen uitsluitsel. Uit daarin geciteerde CBS-cijfers is wel na te gaan waar de grootste uitgavenstijgingen zitten: maatschappelijke begeleiding en advies, openbaar groen en openluchtrecreatie, wegen en pleinen, en bestuursondersteuning. Samen kosten deze zaken dit jaar een half miljard meer dan vorig jaar.

Nader onderzoek moet uitwijzen of dat een kwestie is van afwenteling door het rijk of van gegroeide ambities bij de gemeenten. Of, om het in huishoudelijker termen te zeggen, moet de puber steeds meer dingen zelf betalen, maar wordt hij geknepen op zijn zakgeld, zodat hij wel een baantje móét nemen, of wil hij gewoon steeds meer mooie spullen hebben en leuke dingen doen en heeft hij het er best voor over om een paar middagen in de week vakken te gaan vullen?