Schilder Mellery zag burgers graag verheven

Het winnen van de Prix de Rome garandeert niets. Dat blijkt wel uit het werk van de Belg Xavier Mellery (1845-1921), `de kluizenaar uit Laken'. Met krijt kon hij fijnzinnig tekenen. En met de penseel ging hij geen enkele natte, dus lastig te schilderen, plooi uit de weg. Bij een enkele landgenoot zal zijn naam nog wel een bel doen rinkelen, maar in dit land horen de meesten toch niets. Alleen daarom is het al interessant om het werk van deze vergeten kunstenaar te gaan bekijken.

De schilder Mellery was een man die vaak met zijn monumentale werk aan de weg heeft getimmerd. Keer op keer deed hij de grootste moeite doen om hele wanden in overheidsgebouwen te mogen decoreren. De burgerij moest zichzelf groots en meeslepend weerspiegeld zien, in harmonie met leven, verleden, jaargetijden en dood. En de gouden achtergrond moest de grandeur en de tijdloosheid van dat soort symbolistische taferelen nog verder opvoeren.

Van dat alles blijkt niets op de eerste museumwand. In een krijtige steenkoolsfeer portretteerde hij in Nederland, vreemdgenoeg, een horde traditioneel geklede boeren en boerinnen. In navolging van Gauguin, die zich aan de Bretonse bevolking tegoed deed, zocht Mellery diezelfde authentieke paradijselijkheid op het eiland Marken. Een somber burgermansparadijs eigenlijk, met stijve, gepofbroekte mannen, dames in geborduurde jakjes en donkere rokken, en dan nog kindertjes die precies als hun ouders gekleed gaan. Niets duidt er op dat de voorjaarszon ook in Marken scheen.

Veel interessanter worden de tekeningen die Mellery, inmiddels zo'n veertig jaar oud, van zijn huiselijke interieur maakte. Hoekjes, zoals hij zei, die `de ziel van de levenloze dingen verborgen', want `alles is levend, zelfs datgene wat niet beweegt'. Ze lijken op diezelfde intieme taferelen van verlatenheid die zijn Deense tijdgenoot Vilhelm Hammershoi (1864-1916) naliet. Ook zo'n man die de wereld graag in stilte en grijzen zag, en die achter het zichtbare méér deed vermoeden: de doorkijk naar een bijna lege kamer, een statige trap in nachtelijk duister, een genoeglijke keuken, waar lach en zucht al lang zijn weggeëbd. En om zo'n statisch beeld zowel ruimtelijkheid als de sfeer van mystieke melancholie mee te geven, hanteerde Mellery het zwarte krijt als een concertpianist aan wie al kabbelend geen toets ontgaat, maar die toch precies op tijd mezzo forte uitpakte.

Mellery, al op zijn vijftiende academiestudent in Brussel, wilde bovenal de realiteit afbeelden, zo schreef hij zelf in een van zijn vele brieven. Maar tegenover dat houvast stond een bijna pathetisch idealisme, dat verstopt op de tekeningen uit Marken tot uitdrukking komt, maar dat naakt voor de dag treedt op zijn grote aquarellen en schilderijen. Allegorische werken over deugden, over de kunstgeschiedenis en over dat wat tussen mensen zo mooi moet zijn, en het vaak niet is. Het gezin bijvoorbeeld met een wijze patriarch die zich omringd weet door een schare van beeldschone nakomelingen. Of een jong stel – Tederheid is de dochter van de Kracht –, waarbij het meisje als een kind bij de hand wordt genomen door haar onoverwinnelijke vriend.

Alle figuranten van Mellery gaan als in de oudheid gekleed. De mannen bijna naakt, en de vrouwen in dat wijde, natte plooiwerk dus. Hoe sierlijk of natuurlijk hun bewegingen ook zijn, ze lijken door de bruinig-grijze verftinten uit steen gehouwen, alsof de schilder hen de eeuwigheidswaarde van een gebeitelde godheid toedichtte.

Een collega als Sir Lawrence Alma Tadema (1836-1912) zou zo'n tafereel nog in de pseudo-authentieke architectuur van het oude Rome plaatsen, Mellery zet zijn soms dansende en tuimelende personages neer in het bijna lege, gouden niets. Misschien om zijn boodschap geïsoleerd, dus zo nadrukkelijk mogelijk over het voetlicht te krijgen. Want om die reden heeft hij ook een verklarende zinsnede of titel aan het doek toegevoegd.

Onwillekeurig associeer je deze decoratieve schilderingen met de huidige tijdgeest, met decadente welvaart, met oppervlakkigheid en gekunsteld vertoon. Tragisch, want dat is het laatste wat Mellery tot uitdrukking wilde brengen. Het ging hem juist helemaal niet om die uiterlijkheden, maar om een ideeënwereld, over `de vorming van de mens', die traditie, waarheid, vrede, recht, kracht en wijsheid in `schone' beelden kreeg voorgeschoteld. Hoe had hij kunnen voorzien dat al die verhevenheid plaats zou maken voor vervlakking en verplatting, voor een veel killere werkelijkheid dan in het begin van de 20ste eeuw ooit voor mogelijk werd gehouden.

Overigens kreeg Mellery tot zijn verdriet nooit toestemming om een Belgische koepel of wand te decoreren. Was dat wèl gebeurd, dan zou aan zo'n feestelijk gezelschap van dansende vrouwen – als ware het `eendracht maakt macht' – ergens in een Belgisch Paleis of Justitie vandaag de dag zeer zeker allure worden toegedicht. Want decoratief of niet: Mellery kon schilderen, en met het verstrijken van de tijd schopt elk knap en elegant decorstuk het wel tot bezienswaardigheid.

Tentoonstelling: Xavier Mellery: de ziel der dingen. T/m 2/7 in Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Open: ma. t/m zo. 10-18 uur.

Boek: ƒ 39,50.

    • Marianne Vermeijden