Potje zwartepieten over vredesmissie

Het zwartepieten begon gisteren, op de tweede dag van verhoren van de commissie-Bakker die de deelname van aan vredesmissies onderzoekt.

De ogen staan fel. Af en toe trilt een neusvleugel. Eén hand wordt soms tot vuist gebald, in het andere houdt hij zijn boek vast. `Manoeuvreren, Herinneringen aan Plein 4', waarin minister Relus ter Beek (PvdA) terugkijkt op zijn 1.749 dagen als minister van Defensie (1989-1994).

Ter Beek staat, omringd door journalisten, onderaan de centrale roltrap van de Tweede Kamer. Hij is zojuist gehoord door de commissie-Bakker die onderzoek doet naar de politieke besluitvorming van Nederlandse deelname aan internationale vredesmissies.

Ter Beek moest gistermiddag voor de commissie verschijnen en hij had 's morgens ,,met klapperende oren'' geluisterd naar de getuigenis van voormalig ambtenaar van Buitenlandse Zaken Jan Hoekema, nu Tweede-Kamerlid voor D66. Diens verhaal over het tot stand komen van het Nederlandse aanbod van een bataljon van de luchtmobiele brigade aan de VN was voor Ter Beek ,,omgekeerd evenredig aan de werkelijkheid''. Bij de roltrap is Ter Beek minder diplomatiek: ,,Een volstrekt valse voorstelling van zaken''.

Volgens Hoekema had Buitenlandse Zaken in september 1993 geprobeerd Ter Beek ,,af te remmen'' in zijn voornemen een bataljon ter beschikking te stellen. Inzet van deze eenheid zag Buitenlandse Zaken, anders dan Defensie, niet zitten. Gevreesd werd dat de inzet in zogenoemde veilige gebieden, waartoe Srebrenica behoorde, riskanter zou zijn dan een militair optreden in het kader van een vredesplan. ,,Onzin'', oordeelt Ter Beek. ,,Minister Kooijmans was, samen met premier Lubbers, helemaal gefocust op het concept van de safe areas.'' Maar in de beleving van Hoekema wilde Defensie ,,een royaal gebaar op tafel leggen, het liefst in de persoon van Ter Beek''.

Gisteren, op de tweede dag van de verhoren, werd ook duidelijk dat Ter Beek van Buitenlandse Zaken niet had gehoord dat zijn brief van 31 augustus 1993, aan VN-secretaris-generaal Boutros Boutros Ghali, niet was verstuurd. In deze brief had Ter Beek randvoorwaarden gesteld voor uitzending en er was zeker geen sprake van een ,,blanco cheque'', hield Ter Beek de commissie voor.

Maar de brief met handtekening van Ter Beek is nooit door Buitenlandse Zaken, het ministerie dat verantwoordelijk is voor de correspondentie met de VN, verzonden. Hoekema biechtte op dat ,,het mogelijk is'' dat dit te maken heeft met de rivaliteit tussen de beide departementen.

Oud-minister Kooijmans zei vanochtend dat hij niet uitsloot dat competentiestrijd een rol had gespeeld, maar een echte verklaring had hij verder niet. Het leek hem vanzelfsprekend, zei hij, dat Ter Beek door ambtenaren van Buitenlandse Zaken was geïnformeerd over het niet-versturen van de brief.

In plaats van die brief zond Buitenlandse Zaken op 2 september 1993 een telegram, waarin een voorkeur werd uitgesproken voor de inzet van het bataljon in de safe areas (VN-resolutie 836). Het voorwaardelijk aanbod van minister Ter Beek werd vervangen door een aanbod waarin geen enkele voorwaarde meer was terug te vinden, zo vatte topambtenaar Dirk Barth van Defensie het samen.

Door deze actie van Buitenlandse Zaken verkeerde Ter Beek tijdens zijn gesprek met Boutros Ghali in New York op 7 september 1993 in de veronderstelling dat de secretaris-generaal wist dat zijn aanbod geen blanco cheque inhield.

Dat de VN later niet is geïnformeerd over het besluit van het kabinet op 12 november van dat jaar om de uitzendtermijn te beperken tot 18 maanden, rekent Ter Beek niet tot zijn verantwoordelijkheid. Buitenlandse Zaken beschouwt het berichtenverkeer tussen Den Haag en de VN als zijn ,,exclusieve domein'' en is daar dus verantwoordelijk voor, vond hij.

Kooijmans zei vanochtend: ,,Er was, nadat het contingent beschikbaar was gesteld, voortdurend contact met New York, onder meer via de Nederlandse militair attaché.'' De oud-minister noemde het `onvoorstelbaar' dat er toen niet zou zijn gesproken over de termijn van beschikbaarheid van Dutchbat. ,,Er moest toch worden gepland? De VN moesen toch weten waarop ze konden rekenen?''

Maar niet alleen de communicatie tussen departementen leverde ruis op. Ook tussen de minister van Defensie en zijn bevelhebbers bestaan verschillen van opvattingen en herinneringen. Tijdens zijn verhoor afgelopen maandag noemde oud-bevelhebber van de landmacht, generaal Hans Couzy, de opdracht in Srebrenica een ,,mission impossible''. Ook de belangrijkste militaire adviseur van de minister van defensie, chef defensiestaf generaal Arie van der Vlis, zei dat hij zich hevig tegen de uitzending had verzet. Volgens Ter Beek is het niet waar dat deze twee militairen hem hebben geadviseerd af te zien van de vredesmissie naar Srebrenica. ,,Ik heb nimmer een eigen en zelfstandig oordeel genomen aangaande veiligheidsrisico's'', aldus Ter Beek. Daar hebben de militairen ,,voor doorgeleerd'' en ,,ik heb een beetje verstand van politiek'', aldus Ter Beek. Er was volgens hem een ,,compleet nieuwe situatie'' ontstaan als zijn militaire adviseurs hem hadden geadviseerd om niet te gaan, maar zij konden zich volgens Ter Beek allemaal vinden in de typering van generaal Ruurd Reitsma: ,,Een eervolle, niet eenvoudige, maar uitvoerbare opdracht''.