Ook grotere EU kan slagvaardig zijn

Het pleidooi van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, voor een Europese federatie is slechts een stukje van de puzzel van de toekomst van Europa. Tegenwoordig spelen andere zaken dan het federalisme, meent Dick Benschop.

Op de drempel van een aantal grote ontwikkelingen in de Europese Unie kijken velen wat verwonderd om zich heen. De invoering van de euro, de uitbreiding van de Europese Unie naar Midden-Europa, de hervorming van de Europese instellingen: waar hebben we toch de moed vandaan gehaald om dat allemaal tegelijk aan te pakken?

Het is niet de eerste keer dat de Unie ingrijpend verandert. Maar de verandering die nu voor de deur staat, bijna een verdubbeling van het aantal lidstaten, is van een ongeëvenaarde orde. De inzet voor het continent Europa is hoog. De kosten van het theoretische alternatief, het niet-uitbreiden van de Unie, zouden gigantisch zijn. Instabiliteit en onderontwikkeling in Midden- en Oost-Europa zouden ook ons raken. De uitbreiding van de Unie is daarmee een historische noodzaak. Niet alleen als morele plicht na de val van het communisme. Duurzame vrede en stabiliteit kunnen alleen worden bereikt door de vervlechting en integratie die de Europese Unie te bieden heeft. De grotere interne markt – er komen op termijn honderd miljoen mensen bij – biedt voordelen voor iedereen: Nederlanders en Hongaren, Duitsers en Polen. Het zal Europa sterker maken in de wereldwijde economische concurrentie.

Aan twee voorwaarden moet echter worden voldaan: de aanpassingen in de kandidaat-lidstaten moeten hun lidmaatschap van de Unie verantwoord maken en de instellingen en werkwijze van de Unie zelf moeten worden hervormd.

De hervorming van de instellingen heeft tot doel de slagvaardigheid van de Unie te garanderen, ook bij twintig of meer lidstaten. Iedereen kan bedenken dat daartoe zoveel mogelijk besluiten van de Unie bij meerderheid van stemmen dienen te worden genomen.

Maar er is meer nodig. De grotere Unie zal nog diverser zijn dan nu. Uit die diversiteit zullen wij kracht moeten putten: leren van elkaars ervaringen, samenwerken, maar ook concurreren om de beste ideeën. Dan moet het ook mogelijk worden dat groepen van landen vooroplopen omdat zij de wil en de visie hebben tot verdere integratie te komen. In het Europese taalgebruik heet dat de mogelijkheid van versterkte samenwerking, van flexibiliteit. Zo kunnen de slagvaardigheid en benodigde dynamiek behouden blijven.

In dat licht is de geruchtmakende rede van Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, van belang. Hij schetst het beeld van versterkte samenwerking, een kopgroep zelfs en de droom van een federaal Europa. Zijn bijdrage is bijzonder welkom. Moest premier Kok eind vorig jaar nog alles uit de kast halen om zijn collega's de voordelen van versterkte samenwerking duidelijk te maken, nu ijveren Duitsland en ook Frankrijk in diezelfde richting. Dat geeft hoop voor de Europese top in Nice in december aanstaande, waar over de institutionele hervormingen wordt besloten.

We moeten wel oppassen om dat streven naar versterkte samenwerking niet bij voorbaat te laten uitmonden in een vastomschreven en gesloten kerngroep van landen. Dan zouden nieuwe scheidslijnen ontstaan. Onze ambitie is juist om twee doelstellingen tegelijk te realiseren: een grotere èn slagvaardige Unie. We moeten niet als het ware bij voorbaat de handdoek in de ring gooien en – nog voordat de uitbreiding een feit is – afkondigen dat zo'n grote Unie niet werkt, ons terugtrekkend op een kleinere kerngroep. Beter zou het zijn als die versterkte samenwerking een `open' systeem is. Lidstaten die willen en kunnen, proberen op een bepaald thema gezamenlijk voortgang te boeken. Toetreden tot die groep staat vrij.

Fischer gaat nog een stap verder. Hij droomt weer hardop over een federale structuur voor Europa. Hij weet dat die uitspraak in Europa veel stof zal doen opwaaien. Fischer's federale perspectief is maar een stukje van de puzzel van de toekomst van Europa, want het draait slechts om de verdeling van de bevoegdheden en de staatkundige structuur. De echte idealen voor Europa gaan over politieke doelstellingen als vrede en stabiliteit, welvaart en solidariteit. Dat zal ook Fischer niet ontkennen. Wel dient de vraag gesteld te worden waartoe staatkundige structuren in dat verband in staat zijn.

Dan borrelen vragen op als: wat is de rol van de overheid, hoe wordt door politiek en overheid sturing gegeven aan maatschappelijke processen? In het debat over de nationale overheid is vastgesteld dat structuren en bevoegdheden niet alles meer zeggen.

Nieuwe trefwoorden voor de rol van de overheid komen op: regie, dialoog, samenwerking en competitie. Zo'n debat over de effectiviteit en de legitimiteit van de `moderne' overheid is ook op Europees gebied nodig, aansluitend bij de onderliggende ontwikkelingen van diversiteit en de benodigde flexibiliteit. Misschien zijn wij in dat opzicht wel `het federalisme voorbij'.

Fischer heeft het debat geopend, maar niet beslecht.

Drs. D. Benschop is staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

    • Dick Benschop