Ongezien hoogtepunt

Wie in Mexico de trein wil nemen kan kiezen tussen de mixto of de veel snellere vistatrein. De trein rijdt door een decor van hoog gras en krotten en klimt naar de adembenemende Divisadero. Deel 2 in een serie over bijzondere treinreizen.

In Los Mochis kom je alleen om weer te vertrekken. Westwaarts naar Topolobampo, voor de boot naar Baja California. Of landinwaarts, met de Chihuahua al Pacificó-spoorlijn dwars door de Sierra Madre, waar de Barranca del Cobre, de Kopercanyon, naar verluidt groener en dieper dan de Grand Canyon.

In hotel Lorena kost een tweepersoonskamer, met rammelende airco, honderd pesos (70 gulden). In de lift hangt de dienstregeling voor de Kopercanyon. Onze trein vertrekt om zes uur 's ochtends. De kaartjes reserveerden we op Baja bij de behulpzame gerente general van ons `beach resort'. Nu lopen we in de hitte naar zijn reisbureau. De enige schaduw zit onder onze schoenzolen, constateert mijn vrouw, José.

Het lichtblauwe, grondig schoongehouden visrestaurant Henry (Hidalgo 47) biedt aangename verkoeling. We eten een smakelijke avocado met tonijn en gefrituurde camerones. Een droevig kijkende man sloft binnen en gaat met een casio'tje zitten onder het tv-toestel. Het publiek blijft staren naar het baseball boven zijn hoofd en na drie deuntjes legt hij een kleurig kleedje op het toetsenbord. Buiten in de tussenstraatjes handelen jongetjes onder zeildoek in cowboyhoeden, sombreros en lederwaar. Dit is Mexico's wilde westen.

Om half zes 's ochtends draait de taxi het stratenraamwerk uit en rijdt een eindeloze halfverharde weg af. De prairie schemert in het roestkleurige licht. Het station is niet meer dan een bouwkeet, maar de restauratie schenkt al koffie. In de wachtkamer doet een beach boy onhandig met zijn surfplank.

De vistatrein neem je voor de snelheid en het comfort. Hij is Mexicaans fris van kleur: staalblauw, ramen en deuren oranje omlijst. De raampjes zitten dicht wegens de airco, maar op de tussenbalkons kan alles open. De vista is luxueuzer dan de mixtotrein en hij legt de 600 kilometer vijf uur sneller af. Uitkijkpunt Divisadero (volgens reisbijbel de Kit het enige, waarachtige uitzicht op de Kopercanyon) bereik je om twee uur 's middags, terwijl de mixto daar pas om vijf uur binnentuft. Althans, volgens de boekjes.

Even na zessen zet onze trein zich in beweging. We rijden door een decor van hoog gras en lage boompjes en zien leven alom in krotten. Met de tropischer begroeiing worden de stulpjes schilderachtiger. De kinderen zwaaien en lachen.

Een hoofdconducteur in blauw krijtstreepje verwelkomt ons. Hij bezingt de schoonheid van de route en somt alle bijzonderheden op van het technisch hoogstandje met zijn 88 tunnels en 39 bruggen dat in 1961 na negentig jaar werd voltooid. We gaan ervoor zitten. Dan houdt de trein weer piepend halt.

Even later rijden we terug naar Los Mochis. Er liggen rotsblokken op de rails, vertelt onze spoorwegman. Erop gevallen of erop gerold, maar ze moeten eraf. Vijf uur vertraging, schat hij. We arriveren weer in Los Mochis. De beach boy loopt met zijn surfplank langs in de richting van de zee.

Los Mochis ligt op 46 meter. Na Divisadero (2.460 meter) kom je in Creel (2.338 meter), handelspost van de 50.000 holbewonende Tarahumara-indianen, na de Navajo het grootste indianenvolk ten noorden van Mexico-Stad. Ze zijn vooral bekend om hun drinkgelagen (tesquinadas) en hun vermogen om kilometers ononderbroken te rennen over rotsachtig, geaccidenteerd terrein (zegt de reisgids).

Om elf uur zet de trein zich eindelijk in beweging. Rond het middaguur bereiken we de eerste `berg' El Sufragio (71 meter) en de zon breekt door. We stijgen licht. Groene boompjes, cactussen als kandelaars van stemvorken. Het wordt bergachtiger, hoge groene heuvels, rommelige huisjes. Om één uur rijden we de brug over de El Fuerte-rivier over en duiken de eerste tunnel in. Aan de andere kant is de zon verdwenen, we zien wel veel gele vlinders. Bij toerbeurt hangen we uit het open raam, dan wordt het zwoel en is alles groener. Om twee uur wijst alleen een telefoondraad langs dunne palen naast het spoor nog op mensenhanden. Verder alleen nog hoge bomen, rotsen, laag struikgewas, reuzencacteeën, en een idyllisch weideveldje met zuring en bloemen.

We pauzeren in Loreto (302 meter). Een uurtje later, als we weer in beweging zijn gekomen, bezetten zwaarbewapende politieagenten alle balkons. Met de mitrailleur wijzen ze ons onze zitplaats. De conducteur komt haastig vertellen dat in dit gebied veel treinen worden overvallen. We kijken naar het prachtige berglandschap, maar fotograferen mag pas als de agenten om half vijf uitstappen in de mist en de regen in Temoris (1.025 meter).

De trein is nu stampvol. Het begint te bliksemen. De buren bieden ons iets te eten aan. Kwart over zeven pauzeren we in San Rafael en kinderen bestormen de trein met etenswaar en gekleurde dekens. In het donker rijden we Divisadero voorbij.

Het is half tien als we arriveren in Creel. We worden ondergebracht in Margarita's. De enige snackbar verkoopt lauwe taco. Een vrouw die Engels leerde bij de mennonieten, wijst ons hotel Parador voor een borrel. De beach boy, onafscheidelijk van zijn surfplank, zit er al met zijn vader die wel eens wat van de wereld wil zien. Zijn zoon vergezelt hem op weg naar nieuwe, perfecte brandingen.

Overdag domineren de Tarahumara-indianen de straten van Creel. In omringende `ecotoeristische' reservaten balanceren ze op het randje van armoe en honger. Voor een paar pesos kopen we twee gevlochten mandjes en wandelen het dorp uit in de richting van de bergen. In `ecopark' Arareko (geen toegang zonder gids) loopt een dikbuikig jongetje met ons op en laat ons wat holen in de bergen zien.

Om tien over vijf 's middags arriveert de trein. De mensen die uitstappen, zijn vol van Divisadero. Dat móét je gezien hebben.

Literatuur: John Noble e.a., Mexico – a travel survival kit, Hawthorn, Australië: Lonely Planet Publications, 1998.

    • Arthur Olof