Kunstwereld ontbeert een eigen visie op cultuur

De kunstwereld heeft zich tot voor kort kunnen koesteren in de veiligheid van het staatscorporatisme. Nu het marktdenken overheerst dreigt de kunst zich te storten op de nieuwe bedrijfscultuur. Maar volgens Paul Kuypers hebben kunst en cultuur wel wat beters te doen.

Het vorige week uitgebrachte advies van de Raad voor Cultuur aan staatssecretaris Van der Ploeg over de verdeling van de kunstsubsidies bracht vreugde en verdriet. Vreugde voor de winnaars van een plaats in het nieuwe kunstenplan, verdriet voor de verliezers.

Het merkwaardige van de kunstenplanprocedure is dat zij kunstinstellingen tot onwezenlijke inspanningen verleidt, maar nauwelijks een appèl doet op hun ideeën en opvattingen over kunst. In de nota, die de grondslag van het kunstenplan vormt, heeft de staatssecretaris wel geprobeerd om de betrokkenen op dit punt uit hun tent te lokken, maar hij heeft daar betrekkelijk weinig succes mee gehad. Toen het om de echte belangen ging, was het snel afgelopen met het ideologisch debat en bleek iedereen graag bereid wat ploegiaanse wijsheid aan de eigen blauwdruk toe te voegen. En zo bevinden wij ons nu in een situatie, waarin het denken over cultuur achter al die bergen papier verdwenen is en alleen nog bestaat in de verdunde materie van 754 instellingsplannen. Het ziet er niet naar uit dat die materie zich laat ontbinden en de oorspronkelijke elementen weer blootlegt.

Kort gezegd ging de discussie om de zorg voor het behoud van de intrinsieke kwaliteiten van de kunst tegenover een nieuwe staatspedagogiek, in de discussie ook wel aangeduid als een kunstvreemde welzijnscultuur. In feite is de discussie niet verder gekomen dan de karikaturale beeldvorming rond de twee polen van deze tegenstelling: de kunstwereld als een bolwerk van elitaire behoudzucht en naar binnen gekeerd eigenbelang en de politiek (belichaamd in de staatssecretaris) als een onbeheerste stroom van kwaadaardig populisme.

De discussie is niet gevoerd vanuit een reflectie op eigen concepten en posities. Het was geen filosofische, maar een strategische discussie. Van de kunstwereld werd verondersteld dat die zich alleen sterk maakte voor het eigen bastion en van de staatssecretaris werd gedacht, dat zijn pleidooien voor een `democracy of culture' alleen bedoeld waren om dat bastion te ontmantelen. Het is echter de vraag of de discussie met deze martiale omschrijving van posities voldoende recht wordt gedaan. Er was meer in het geding. Het ging in de eerste plaats om een nieuwe economie van de kunst; in de tweede plaats om de gevolgen van nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de mediatechnologie voor de praktijk van de kunst en in de derde plaats om de maatschappelijke relevantie van de kunst.

Gezien de achtergrond van de staatssecretaris is het niet verwonderlijk, dat het eerste thema de meeste aandacht krijgt. Van der Ploeg is een voorstander van de economisering van de kunst. Bij diverse gelegenheden heeft hij de markt geprezen als een eminent werktuig voor een op kwaliteit en diversiteit gericht cultuurbeleid. Van de kunstwereld heeft de staatssecretaris op dit punt weinig tegenspraak gekregen. Het `culturele veld' heeft eigenlijk geen antwoord op de economisering van de kunst. Het laat zich meedrijven op de golven van het moderne universalisme van de markt, maakt hier en daar wat schichtige bedenkingen, maar is niet in staat om front te maken tegen het steeds verder expanderende regime van de economie. Het universele schema van de markt is nergens op gebaseerd, het is pure retoriek, maar het wordt desondanks ook in de wereld van de kunst kritiekloos geaccepteerd als een natuurlijk ontwikkelingsmodel.

In vergelijking met de kunst is de economie van de markt een beperkte manier van denken, een vorm van calculatie, die niet verder reikt dan het optimaliseren van de verhouding tussen rendement en inspanning. Kunst verwijst naar een ander paradigma. Haar opdracht is volgens John Berger het geven van betekenis aan de ervaring; of, zoals Cyrille Offermans het zegt, ,,het hoeden van de verschillen, van alles wat niet opgaat in de rekening, de ruil, de transactie of enigerlei abstracte maat''. In plaats van berusting zou de kunst zich met verwondering moeten buigen over de vanzelfsprekendheid, waarmee de markt zich aan haar opdringt en hoe zij zich staande kan houden in een wereld, die door geld en commercie wordt beheerst.

Dit is niet bedoeld als een pleidooi voor een etherisch isolement. De kunst wordt immers beoefend in een situatie, waarin grote delen van het kunstbedrijf door de markt zijn bezet: muziek, literatuur, media, beeldende kunst. Zij moet haar weg vinden in omstandigheden, die een simpele positiebepaling onmogelijk maken. De cultuurmarkt is voor de kunst een strategisch veld geworden, waarin alleen het leven in een dubbelrol uitkomst kan bieden.

De kunst heeft het tot nu toe betrekkelijk gemakkelijk gehad. De overheid was haar enige tegenspeler en zij kon zich koesteren in de veiligheid van een staatscorporatisme, waarin de voorwaarden voor een stabiele kunstpraktijk in een nauwkeurig samenspel tussen overheid en het `veld' werden geregeld. In een door de economie gedomineerd kunstleven wordt dat samenspel echter vervangen door een systeem, dat door de Twentse socioloog Van der Veen als marktcorporatisme wordt aangeduid: een systeem, dat niet alleen uit andere partijen bestaat, maar dat ook op andere verhoudingen is gebaseerd, andere regels en procedures kent en andere (hogere) eisen aan de deelnemers stelt. Degenen die zich bewegen in de kringen van de nieuwe cultuur en de ICT zien nieuwe kansen voor de kunst, wanneer die zich weet te bevrijden van de horigheid aan de overheid en van de daaruit voortvloeiende subsidieverslaving. In de traditionele kunstwereld is men wat minder positief over dit nieuwe ondernemerschap. Daar is men beducht voor nieuwe vormen van kolonisering door de mechanismen van de markt en de logica van de economie.

Het is moeilijk te zeggen, wie hier gelijk heeft. Verschuivingen in de verhoudingen zijn onvermijdelijk. De komende tijd zal de kunstwereld worden geconfronteerd met nieuwe configuraties, waarin niet alleen de economie, maar ook de nieuwe technologie een belangrijke rol zal spelen.

Er zullen nieuwe schema's, andere verhoudingen en andere connecties ontstaan. De kunstwereld is daar eigenlijk niet op voorbereid. Hij is vertrouwd met een cultuurpolitiek, die zowel in ideologie als in beleidsregie volledig verweven is met de figuur van een culturele verzorgingsstaat. Dat is een slecht model om de confrontaties met het nieuwe marktcorporatisme aan te gaan; niet alleen met de werking van dat systeem, maar vooral met de daarin geldende cultuuropvattingen. In bedrijven en in de ICT is cultuur vooral een kwestie van stijl, communicatie, design en ordening.

Deze opvatting van cultuur is de dominante opvatting aan het worden. De wereld van de kunst is niet bestand tegen deze expansie. De huidige cultuurpolitiek is nog steeds een sociale politiek. Hij ontleent zijn normen aan de dimensie van het sociale.

De dimensie is haar betekenis aan het verliezen, waardoor de cultuurpolitiek gedwongen wordt om een andere grondslag te kiezen. De verleiding is groot om zich daarbij te verlaten op de nieuwe bedrijfscultuur. Dat ligt ook in de lijn van de bestaande connectie met de sociologische opvatting van cultuur als een stelsel van normen en waarden. Kunst en cultuur hebben weinig te verwachten van een dergelijk changement. Zij hebben trouwens wel wat anders te doen.

Paul Kuypers is voormalig directeur van politiek-cultureel centrum De Balie.