Geruchten over oorlog

De berichten zijn niet goed. Sinds we gisteren in Katrun, een kleine oase in het zuiden van Libië, zijn aangekomen, hebben we gehoord dat er oorlog is uitgebroken in het noorden van Tsjaad, het gebied waarheen we op weg zijn. Gedetailleerde informatie ontbreekt echter. Niemand kan vertellen wat er precies aan de hand is.

In een eethuisje waar broodjes vis en cola te koop zijn, praten we met Mohamed Tahar, de Libische douanier die de uitreisformaliteiten regelt. Tahar vertelt dat de laatste toeristen, Zwitsers, vier weken geleden richting Tsjaad zijn vertrokken. ,,Ze zijn bij de grens niet tegengehouden', zegt hij. ,,Dus ik neem aan dat het wel meevalt met de oorlog in Tsjaad.'

Die middag luisteren we naar de Afrika-uitzending van de BBC-worldservice. Net als in de voorgaande dagen wordt er geen melding gemaakt van gevechten in Tsjaad. We besluiten daarom dat we het maar moeten wagen. We geven onze paspoorten en de autopapieren aan Tahar, die ze een paar uur later voorzien van de benodigde stempels terugbrengt.

De trans-Sahararoute van Libië naar Tsjaad voert door het Tibesti-gebergte, een van de mooiste woestijngebieden ter wereld. Bizar gevormde rotsen steken honderden meters de lucht in. Op diverse plaatsen liggen kraters van ingeslagen meteorieten. De route was jarenlang gesloten wegens de oorlog tussen Libië en Tsjaad. Maar na het vredesakkoord van 1994 zijn toeristen weer welkom.

We reizen met twee oude Mercedessen die we in Italië op de boot naar Tunesië hebben gezet. Eigenlijk is een four wheel drive handiger, maar die heeft als nadeel dat het een populair roofobject is voor de gewapende bendes die de Sahara onveilig maken. Personenauto's willen ze niet, omdat die voortdurend blijven steken in het rulle zand waarna ze uitgegraven moeten worden. Er ligt weinig asfalt in de Sahara.

In de Tsjadische hoofdstad Ndjamena, waar wel asfalt ligt, willen we onze auto's verkopen. Net als in andere Afrikaanse hoofdsteden zijn oude Mercedessen daar een paar duizend gulden meer waard dan in Europa. Als alles goed gaat, maken we precies genoeg winst om onze reis te bekostigen. We zijn er op voorbereid dat we de auto's vele malen moeten uitgraven. Maar met de touwen, zandladders en spaden die we bij ons hebben moet het lukken.

Zwaar beladen met extra voedsel, water en benzine vertrekken we de volgende ochtend uit Katrun. De komende dagen zullen we door een gebied rijden waar vrijwel niemand woont en waar ook geen waterputten zijn. Het eerstvolgende dorp, de Tsjadische grenspost Wour, ligt zo'n vijfhonderd kilometer verderop. De enige nederzetting die we onderweg zullen passeren is een Libische militaire post.

Met behulp van gedetailleerde landkaarten en een satellietnavigatiesysteem volgen we de eerste dag een spoor door een bergachtig landschap. Af en toe moeten we uitgestrekte zandvelden oversteken. Tot onze verrassing gaat dat zonder al te veel problemen. De truc is de bandenspanning te verlagen en dan vol gas te geven. Slechts een enkele keer komen we vast te zitten.

De laatste twintig kilometer naar Wour gaan door een droge rivierbedding. Verspreid in het rulle zand liggen grote keien. Dat blijkt te veel gevraagd van onze auto's. Een van de Mercedessen raakt een kei, die een gapend gat veroorzaakt in het oliecarter. Maar het probleem is minder ernstig dan het lijkt. Met een dikke laag polyesterplamuur slagen we erin het gat te dichten.

Wour is een oase aan de voet van het Tibesti-massief. Het dorpje bestaat grotendeels uit rieten hutten. Er wonen een paar honderd mensen, die vrijwel geheel autarkisch leven. Hun dagelijks menu bestaat uit kamelenvlees en dadels, aangevuld met wat tomaten. Scholen, elektriciteit en telefoons zijn er niet. Van het dorpshoofd krijgen we een plek aangewezen bij de vuilnisbelt, waar we kunnen overnachten.

Naast de lokale bevolking verblijven in Wour enkele honderden soldaten. Hun leiders zeggen dat de geruchten over de opgelaaide oorlog overdreven zijn. Maar de soldaten zelf vertellen iets anders. ,,In de bergen ten oosten van Wour woedt een felle strijd tussen het regeringsleger en rebellen onder leiding van de voormalige minister Youssef Togoïmi', zegt een van de soldaten. ,,Verscheidene dorpen zijn door de rebellen bezet. Honderden soldaten zijn gesneuveld.'

In Wour zelf is van het oorlogsgeweld weinig te merken. Het front is tweehonderd kilometer verderop. ,,Zolang je de bergen niet intrekt is er geen gevaar', zegt de soldaat. De route naar de provinciehoofdstad Faya, die langs de zuidrand van Tibesti loopt, is nog steeds veilig. Voor ons is dat een goed bericht. Want dit 700 kilometer lange traject is de volgende etappe van onze reis.

De soldaten verplichten ons om tot Faya een gids te nemen. In het gebied liggen landmijnen, die zijn achtergebleven na de oorlog tussen Libië en Tsjaad. De 17-jarige gids behoort tot de Tubu, een islamitisch bergvolk. Net als de meeste andere Tubu's spreekt hij geen Frans of Arabisch, de twee nationale talen in Tsjaad.

Het traject tussen Wour en Faya ligt bezaaid met oude tanks en munitie, met de landmijnen overblijfselen uit de oorlog met Libië. Onze auto's blijven talloze malen steken in het zand. De eerste paar keer helpt de gids bij het uitgraven, na de vierde keer is hij het zat. Terwijl wij in de brandende zon urenlang aan het werk zijn, gaat hij in de schaduw van een paar palmbomen liggen slapen.

Via het stadje Zouar, waar ook honderden militairen zijn gelegerd, rijden we verder richting Faya. Het spoor is afgebakend met meterslange ijzeren palen. Op advies van de gids verlaten we af en toe de bakens om mijnenvelden te ontwijken. We slapen 's nachts langs de route in het zand. In vier dagen tijd zien we drie andere auto's.

Faya is de enige stad in de regio met een vliegveld en telefoonverbindingen. Personeel van de Verenigde Naties treft er voorbereidingen om de mijnenvelden in de omgeving op te ruimen. De afgelopen jaren zijn bijna alle mijnenvelden in kaart gebracht. De opgelaaide oorlog bemoeilijkt hun werk, de rebellen graven mijnen uit om ze elders weer in te graven.

We zijn de enige toeristen in Faya. Tot voor kort gebruikten lokale touroperators de stad als vertrekpunt voor hun reizen naar Tibesti. Niet zo lang geleden is een groep Italiaanse toeristen enige dagen door rebellen gegijzeld. ,,Door de opgelaaide oorlog hebben veel mensen hun reis geannuleerd', zegt Mohammed Nassour, de bedrijfsleider van het Emi Koussi hotel.

Een week later arriveren we in de hoofdstad Ndjamena. Na een paar dagen staat de architecte Zenaba Hassan voor onze neus, die dolgraag een van de Mercedessen wil kopen. Ze vertelt dat een vriend waarschijnlijk de andere auto wil. De volgende dag tekenen we op het politiebureau de koopcontracten en veranderen beide auto's van eigenaar. ,,Ik droom al jarenlang van een Mercedes', zegt een stralende Hassan. ,,Nu rijd ik Peugeot, maar dat is een auto voor armoedzaaiers. Als je geld hebt moet je een Mercedes hebben. Daarmee kun je voor de dag komen.'