Europese competitie kan voetbalclubs redden

Voetballers begeven zich op de Europese markt. Maar clubs zijn gebonden aan nationale competities. Dat is een anachronisme, vindt Jaap Hoeksma.

Het woord sport komt in het EU-verdrag niet voor, maar toch oefent de Europese Unie een grote invloed op de organisatie van de betaalde sport in Europa uit. De reden hiervoor is dat sport als economische activiteit onverkort onder het Europese recht valt. Het Hof van Justitie, dat deze leer in de jaren zeventig voor de sport in het algemeen ontwikkelde, spitste zijn opvatting in de zaak-Bosman in 1995 specifiek op het betaalde voetbal toe. De regelgeving van de Europese voetbalbond, de UEFA, op grond waarvan clubs per wedstrijd niet meer dan drie buitenlandse spelers in hun team mochten opstellen, werd door het Hof voor EU-burgers als strijdig met het beginsel van het vrije verkeer van personen terzijde geschoven.

Sinds de uitspraak in de zaak-Bosman heeft zich een economische aardverschuiving in het betaalde voetbal voltrokken. Het karakter ervan is echter anders dan het Hof beoogde. Door het beginsel van het vrije verkeer van personen op het betaalde voetbal toepasselijk te verklaren, voerde het Hof tegelijkertijd ook het beginsel van vrije mededinging tussen clubs bij de aankoop van spelers door. Immers, spelers die hun beroep in principe in alle EU-lidstaten mogen uitoefenen, kunnen ook door clubs uit alle lidstaten worden gecontracteerd. Op het eerste gezicht lijkt één van de grondbeginselen van de Europese integratie, te weten vrije mededinging tussen gelijkwaardige partijen op een gemeenschappelijke markt, daarmee ook voor het betaalde voetbal gerealiseerd te zijn. In de praktijk is echter sprake van een diametraal tegenovergestelde ontwikkeling.

De lotgevallen van Ajax vormen er een treffende illustratie van. Ajax won de Champions League voor het laatst in 1995, het jaar van de uitspraak in de zaak-Bosman. Sindsdien zijn bijna alle spelers die deel uitmaakten van het kampioensteam, vertrokken naar of gekocht door clubs die uitkomen in de Engelse, Spaanse of Italiaanse competitie. Het onbedoelde effect van de uitspraak van het Hof in de zaak-Bosman lijkt derhalve dat het de positie van de toonaangevende clubs uit de grotere lidstaten heeft versterkt ten koste van die uit de kleinere landen. Dit effect is uiteraard geheel in strijd met de bedoelingen van de Europese eenwording.

De oorzaak van deze ontwikkelingen ligt in de omstandigheid dat het betaalde voetbal in Europa onder twee verschillende rechtstelsels valt. Het wordt in sportief opzicht beheerst door de UEFA, maar moet voor wat betreft de economische aspecten ervan voldoen aan de regels van de Europese Unie. Daar wringt de schoen. De EU gaat namelijk uit van een gemeenschappelijke binnenmarkt, terwijl de UEFA de voetbalcompetities nog altijd organiseert in het verband van 15 afzonderlijke lidstaten. Clubs moeten bij de aankoop van spelers derhalve op één gemeenschappelijke markt met elkaar concurreren, terwijl ze voor hun inkomsten afhankelijk zijn van vijftien verschillende deelmarkten. De opbrengsten van deze afzonderlijke markten bestaan anno 2000 voor het grootste deel uit de verkoop van televisierechten. De bedragen die daarvoor in de grote voetballanden worden betaald, vormen een veelvoud van die welke in de kleinere landen kunnen worden opgebracht.

De remedie die vanuit het oogpunt van de vrije mededinging het meest logisch is, wordt door de regels van de UEFA geblokkeerd. Clubs uit de kleinere lidstaten van de EU kunnen zich namelijk niet inschrijven voor deelname aan de Engelse of Duitse competitie. Er doet zich in de nasleep van het Bosman-arrest derhalve de paradoxale situatie voor, dat individuele voetballers uit de EU-lidstaten wel van hun burgerlijke vrijheden gebruik kunnen maken, maar dat hun werkgevers, de voetbalclubs, nog steeds aan de begrenzingen van de nationale competities zijn gebonden. Zolang dit economisch anachronisme bestaat, zullen de verschillen in sportieve en financiële prestaties tussen de clubs uit de grotere en die uit de kleinere lidstaten van de Europese Unie enkel toenemen.

Het valt in het licht van deze ontwikkelingen toe te juichen dat de regeringsleiders van de lidstaten de Europese Commissie in 1998 hebben verzocht een rapport over de sport in Europa op te stellen. De ministers van Sport die de vorige week over dat rapport hebben vergaderd, zijn echter niet verder gekomen dan het opstellen van een tweetal aanbevelingen over de strijd tegen doping en over de sociale dimensie van sport. De mogelijkheid om het probleem van de oneerlijke concurrentieverhoudingen tussen clubs op niveau te bespreken, is onbenut gelaten.

Het initiatief om het economisch anachronisme van het professionele voetbal in de EU op te heffen, zal dus uit de private sector moeten komen. Een dergelijk initiatief kan alleen slagen, wanneer zowel de clubs uit de grotere als die uit de kleine landen er baat bij hebben. Die situatie doet zich voor, wanneer de huidige, gekunstelde Champions League wordt vervangen door een reguliere voetbalcompetitie in het kader van de Europese Unie. Een dergelijke competitie kan worden beschouwd als de hoogste afdeling van het betaalde voetbal in de Europese Unie. Clubs kwalificeren zich op basis van hun resultaten in de nationale competities. Zodoende blijven de structuren van de organisatie van het voetbal in stand, terwijl de introductie van een gemeenschappelijke eredivisie tegelijkertijd resulteert in herstel van eerlijke concurrentieverhoudingen tussen de deelnemende clubs. De UEFA zal de oprichting van een dergelijke EU-League niet tegen kunnen houden. Onder Europees recht bestaat immers geen monopolie op het organiseren van voetbalcompetities.

Mr. J.A. Hoeksma is jurist gespecialiseerd in Europees recht.