De keuze van Kok

In het eerder dit jaar verschenen boek `Ruud Lubbers. Peetvader van het poldermodel' van de journalist Bert Steinmetz staat een dramatische brief afgedrukt die Lubbers in 1994 ruim een maand voor de verkiezingen aan de CDA-partijtop had willen sturen. Had, want Lubbers besloot de brief niet te verzenden. Maar bewaard is zijn schrijven wel. De brief is de zoveelste illustratie van de totale ontreddering waarin het CDA toen verkeerde. De vertrekkende partijleider schreef over zijn opvolger Elco Brinkman onder meer: ,,Onze eerste man heeft zijn geloofwaardigheid en gezag geheel verloren. Het is een drama geworden. Het drama is echter nog groter, omdat er niet echt consequenties worden getrokken. Elco heeft slechts één doel, één toetsingscriterium: doorgaan, ook als de `politieke dood' erop volgt. Dat is moedig, maar naar mijn overtuiging is nu echt het moment aangekomen dat Elco als lijsttrekker terugtreedt.''

Dat schreef de man die een kleine vijf jaar eerder in een interview met Elsevier dezelfde Brinkman had aangewezen als zijn opvolger. Gaandeweg kreeg hij er spijt van. Spijt die de laatste maanden voor de verkiezingen tot een climax kwam en van de goed geoliede machine die het CDA heette te zijn een stuurloos projectiel maakte. Het resultaat bij de verkiezingen was er naar: een nog nooit eerder in de Nederlandse parlementaire geschiedenis vertoonde nederlaag van niet minder dan twintig zetels. Exit Lubbers, exit Brinkman, exit CDA. Hoe, wat een gestroomlijnde leiderswisseling had moeten zijn, toch iets anders verliep.

Cruciaal in de hedendaagse gepersonifieerde politiek is De Opvolging. De politiek leider die zijn opvolging niet goed weet te regelen, brengt zetels, macht, soms zelfs het voortbestaan van zijn partij in gevaar. Een goede ordentelijke opvolging is dus pure noodzaak. Maar hoe evident ook, tevens is er het gegeven dat geen blauwdruk bestaat voor het goed regelen van de opvolging.

En zo ziet iedere partij met een succesvol leider het moment van De Opvolging met angst en beven tegemoet. Volgens de partijstatuten mag een aansprekend programma misschien wel het belangrijkste zijn, maar de politieke beweging die niet over een aansprekende leider beschikt die het gedachtegoed ook `uitstraalt' kan het in de huidige tijd verder wel vergeten.

Om die reden is de huidige twijfel bij PvdA-leider Kok over zijn eigen toekomst heel goed te verklaren. Eind vorig jaar verklaarde hij tegenover het weekblad Elsevier in te zijn voor nog een derde termijn als minister-president. Maar vorige week in een vraaggesprek met de Volkskrant was Kok veel minder stellig. Het definitieve besluit moet nog genomen worden, ook anderen gaan erover en niet vergeten mocht worden dat hij straks al acht jaar premier en ook nog vijf jaar vice-premier is geweest. Vanuit `menselijk' oogpunt heeft Kok het volste recht om straks te vertrekken. Als het kabinet niet tussentijds valt, is hij bij de volgende verkiezingen bijna 64 jaar. Hij heeft er dan dertien `tropenjaren' in het kabinet opzitten. Maar van 1973 tot 1985 bekleedde hij als voorzitter van de vakcentrale NVV, later FNV, ook al een toppositie.

Eigenlijk staat Kok al sinds 1969, toen hij secretaris van het NVV werd, in het hart van de sociaal-economische beleidsmachinerie. Nu al 31 jaar, straks 33 jaar aan of heel dicht bij de knoppen. Wie zegt hem dat na?

Daar komt bij dat Kok nu op het hoogtepunt van zijn succes zit: werkloosheid nagenoeg weg, financieringstekort weg, staatsschuld fors omlaag, een ongekend lange periode van economische groei, de PvdA nog nooit zo'n lange periode achtereen leidinggevend in de regering. Afgezet tegen deze wapenfeiten kan een nieuwe periode alleen maar minder worden. En dan gaat het ook snel. Bij zijn voorganger Lubbers heeft Kok van nabij kunnen zien dat de grens tussen vergoddelijken en verguizen flinterdun is.

Ooit breekt het moment van de slijtage aan. Is het niet bij hem dan wel bij het publiek. De omloopsnelheid van `celebrities' wordt nu eenmaal steeds groter, en in het televisietijdperk vallen politici ook onder deze categorie.

Kortom, argumenten genoeg voor Kok om er in 2002 mee te stoppen. Dat was dan ook het afgelopen weekeinde de niet geheel van politiek eigenbelang ontblote raad van ex VVD-leider Bolkestein. Maar ook de Volkskrant, toch nog altijd leidraad voor het PvdA-partijkader, adviseerde Kok deze week in een commentaar om van zijn huidige periode als minister-president de laatste te maken.

Maar het probleem is niet dat Kok niet weg zou willen of mogen, het probleem is dat Kok geen opvolger heeft. Het is een publiek geheim dat Kok de huidige fractievoorzitter van de PvdA, Ad Melkert als zijn opvolger ziet.

Maar zolang er binnen de PvdA nog zovelen zijn die daarvan nog in het geheel niet overtuigd zijn (`wie Melkert kiest, kiest de oppositieleider', is een veel gehoord geluid) is er voor de man met de bijnaam `Rupsje nooitgenoeg' niet meer dan de kandidaat-status weggelegd.

De twee andere potentiële kandidaten zijn staatssecretaris Job Cohen (Justitie) en burgemeester Johan Stekelenburg van Tilburg, die net als Kok een verleden als FNV-voorzitter met zich meedraagt. De eerste wil niet, onder meer om privé-redenen, de tweede zou misschien wel willen – onlangs stak Stekelenburg zijn vinger al op voor Amsterdam, maar wordt door een flink deel van de PvdA beschouwd als iemand van te weinig gewicht. Open en vriendelijk in de omgang, maar daarentegen veel te soepel voor het politieke spel zoals dat op topniveau gespeeld dient te worden.

Ziehier het dilemma van de PvdA. In huis hebben ze met Melkert iemand die het machtsspel als geen ander beheerst, maar geen kiezers trekt. Buitenshuis is er `mooie Johan' – door trendonderzoeksbureau Motivaction al als het ideale nieuwe gezicht gelanceerd, die in de partij zelf onvoldoende basis heeft.

Het dilemma van de PvdA is tevens de dwangbuis van Kok. Ook al wil hij weg, hij kan niet weg. Nog niet.

    • Mark Kranenburg