Schijnwerpers op criminele actualiteit

Het is al bijna een recept geworden. Eerst was er Hard Gras, tijdschrift over voetbal en literatuur. Toen verscheen Payola, over literatuur en popmuziek. En nu is er Kaliber, `tijdschrift voor misdaad en literatuur', zoals de ondertitel luidt. De rafelranden van de literatuur doen het goed, zou je kunnen zeggen. Voor ieder populair onderwerp dat in de literatuur zelf niet aan bod komt wordt tegenwoordig een apart tijdschrift opgericht.

Toch zit dat rafelranden-gevoel ze niet lekker, bij Kaliber. Meteen al in de inleiding bij het eerste nummer benadrukken de redacteuren, de gerenommeerde thrillerschrijvers Thomas Ross en René Appel, dat ,,onze zogenaamde spannende literatuur [...] de afgelopen jaren tot een volwassen en gerespecteerd genre is geëvolueerd''. Dat belet ze niet om in de daaropvolgende artikelen nog diverse malen op het onderwerp terug te komen, altijd op dezelfde, verongelijkte toon van Calimeros in een leren jekkie. In ieder geval is de boodschap daardoor duidelijk: de misdaadliteratuur wil voor vol worden aangezien en Kaliber gaat daarbij helpen.

Wat pleit voor het blad is de brede opzet. Volgens de inleiding zal er ,,aandacht worden besteed aan onder meer criminologie, justitie, letterkunde, geschiedenis en maatschappelijke, `criminele' actualiteit'' en die inzet wordt in het eerste nummer ruimschoots waargemaakt. Kaliber opent met een curieus interview met Adriaan van Dis over misdaad, waarin de auteur bekent dat hij in zijn jeugd de kersenbonbons van zijn moeder stal. Daarna volgen onder andere een portret van Wilco de J. die de GrensWisselKantoren voor ruim tien miljoen gulden oplichtte, een kort verhaal van Sjöwall en Wahlöö, een interview met hoofdcommissaris Jelle Kuiper, de `misdaadroman'-toptien van Thom de Graaf en een overpeinzing over de doodstraf van Theo van Gogh. Die variatie is aangenaam, en maakt het blad levendig.

Het probleem is alleen dat Kaliber in veel van die stukken tegelijk duidelijk maakt waarom `misdaadromans maar geen literatuur willen worden'. In het blad worden alle vooroordelen over thrillerschrijvers als jongens van de gestampte pot die iedere subtiliteit ontberen, bevestigd. In de journalistieke stukken is de toon zonder uitzondering stoer en staan de zinnen vol spreektaal. Dat begint al bij de eerste zinnen van de inleiding: ,,Er helpt geen lieve-moedertje aan: misdaad is `in'. Dagelijks nieuws. Geen beroepsgroep die ervan lijkt gevrijwaard. Media-spektakels. Ministers die erover struikelen.'' Daarbij vervalt het blad al te vaak in een soort mannen-onder-elkaar-proza, die, als dat literair is, de Panorama goede subsidiekansen zou verschaffen bij het Literair Produktiefonds.

Ook kent Kaliber nogal wat aanloopfoutjes. De eindredactie is slordig en in het overzicht `Misdaad in beeld', waarin een opsomming wordt gegeven van recent verschenen Nederlandse misdaad-series, -films en -boeken wordt nogal verongelijkt gedaan over het misdaad-aanbod op televisie en in film. Vervolgens wordt in het filmoverzicht de film Lek van Jean van de Velde, toch niet de minst succesvolle Nederlandse thriller van de afgelopen jaren, pontificaal over het hoofd gezien. Het tekent de opzet van Kaliber: het blad denkt literatuur te maken door heel hard te roepen dat het dat doet. Nu nog de bewijzen.

Kaliber nr. 1, mei 2000, Uitg. Scepter. 128 blz. Prijs ƒ17,50.