Privatisering

TOEN DE VERZORGINGSSTAAT twintig jaar geleden in zijn voegen begon te kraken, veranderde ook de status van de overheid. Ze bood niet langer oplossingen maar was een probleem geworden. Om de overheid minder maar beter te laten functioneren, is nadien een groot aantal taken afgestoten. Sommige staatsbedrijven zijn geprivatiseerd (PTT). Andere instellingen zijn op `afstand' gezet in een agentschap (Immigratie & Naturalisatiedienst), zelfstandige bestuursorganisatie (Informatiebeheergroep) of verzelfstandigde onderneming (NS). Recent heeft de discussie over al deze varianten de kop opgestoken. Sommige geprivatiseerde of verzelfstandigde staatsbedrijven kunnen zich, wegens gebrek aan concurrentie in het `grijze' gebied waarin ze opereren, als monopolisten gedragen. Fractieleider Melkert van de PvdA bond de kat de bel aan met zijn `nee, tenzij'. Minister Jorritsma (Economische Zaken) wil doorgaan op de ingeslagen weg. In haar ogen is het `ja, mits'.

Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vertroebelt dit soort retoriek het zicht op de werkelijkheid. Het zou niet moeten gaan om een `wedstrijd tussen markt en overheid' maar om een heldere meningsvorming over het `wat' en het `hoe'. Dat is al ingewikkeld genoeg, omdat tot nu toe noch de vraag wat er geprivatiseerd kan worden noch hoe dat moet gebeuren afdoende is beantwoord. Gisteren heeft de WRR daarover een genuanceerd rapport uitgebracht: Het borgen van publiek belang.

TEN EERSTE MOETEN regering en parlement duidelijk formuleren wat publieke belangen zijn. Niet alle maatschappelijke belangen zijn per definitie publiek. Adequaat streekvervoer en schoon drinkwater zouden op zichzelf privaat aangeboden kunnen worden, zoals ook in de telecommunicatie mogelijk blijkt. Als het gaat om de spoorwegen is terughoudendheid daarentegen geboden, omdat de bestrijding van de congestie op de wegen een alom aanvaard publiek belang is. Ten tweede moet de politiek precies weten hoe ze daarmee vervolgens omgaat. Anders dan is gebeurd met bijvoorbeeld de kabel, dient de overheid nadrukkelijk `marktmeester' of juist een `alternatief' voor de private sector durven te zijn. Deze taken stellen op hun beurt weer eisen aan het ambtelijke apparaat, de helderheid van de bedrijfsvoering en ten slotte ook aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Een op te richten Kwaliteitskamer (naar analogie van de Rekenkamer) zou daarbij een rol moeten spelen.

MET ZIJN RAPPORT heeft de raad de vinger op een zere plek gelegd. Jarenlang hebben regering en parlement zich er te makkelijk van afgemaakt. Nu de contra-indicaties van de privatiseringsgolf zichtbaar worden, neigen sommige partijen er naar om weer naar de andere kant over te hellen. Die pendelbeweging moet gestopt worden. De WRR denkt dat een speciaal aan te wijzen minister dat kan bewerkstelligen. Dat is naïef. Maar het zou geen overbodige luxe zijn als premier Kok zich opwerpt als coördinerend bewindsman en het WRR-rapport agendeert voor een kabinetsberaad dat nu eens niet onmiddellijk in een persbericht hoeft uit te monden.