Pensioen beter: meer mensen, meer geld

Pensioenregelingen zijn sinds eind jaren tachtig sterk verbeterd. Ook nemen aanzienlijk meer werknemers eraan deel.

Dat blijkt uit de Pensioenkaart 1999 van de Sociaal-Economische Raad (SER) die vandaag is uitgekomen. In dit onderzoek is een vergelijking gemaakt met de Pensioenkaart van 1987. Destijds namen 3,1 miljoen Nederlanders deel aan een pensioenregeling, vorig jaar was hun aantal gestegen tot ongeveer 5 miljoen.

Door wetswijzigingen en maatschappelijke ontwikkelingen is de uitsluiting van bepaalde groepen teruggedrongen, aldus het onderzoek. De `witte vlekken' onder vrouwen en deeltijdwerkers zijn daardoor sterk verminderd.

Met name de situatie voor alleenstaanden is verbeterd. Dat komt doordat de zogeheten franchise is verlaagd. Dit is een bedrag dat van het pensioengevend salaris wordt afgetrokken, met het oog op de AOW-uitkering die iedereen vanaf zijn 65ste krijgt. Hoewel de franchise nog steeds als te hoog wordt beschouwd, is deze in de afgelopen twaalf jaar gemiddeld wel gedaald van 42.000 naar 30.000 gulden.

Alleenstaanden zijn volgens het onderzoek nu vaker in staat een pensioen (inclusief AOW) van 70 procent van het laatstverdiende loon te halen, uitgaande van een maximale deelnemerstijd aan een pensioenregeling. Over het algemeen lukt het tweeverdieners nog niet de 70 procent te halen.

Werknemers in de gezondheidszorg en het bank- en verzekeringswezen hebben, evenals in 1987, veelal een hoger pensioen dan gemiddeld. In de bouw en bij installatiebedrijven is de uitkomst net als in 1987 lager dan gemiddeld. Bij transport-, opslag- en communicatiebedrijven is de situatie ten opzichte van 1987 verbeterd.