Oehoes kijken in mergelland

Wie de oehoe eens met eigen ogen wil aanschouwen moet zijn kans nu grijpen. Voor het vierde achtereenvolgende jaar broedt de zeldzame reuzenuil met de wuivende oorpluimen in de mergelgroeve op de Sint Pietersberg bij Maastricht, maar de vraag is hoe lang nog.

Het nest – het enige in Nederland – wijst zichzelf. De liefhebbers verdringen zich met hun verrekijkers en telescopen op het wandelpad langs de groeve. De vaste fans wisselen de laatste nieuwtjes uit. Over de duif die zondagavond op het nest lag en de egel die vorige week deskundig door het vrouwtje werd leeggelepeld. ,,En hoe staat het met de kuikens?'' vraagt een oude man met een wit poedeltje op zijn dagelijkse wandeling.

De oehoes trekken zich van zoveel bekijks niets aan. Ook het wielerfestijn van de Amstel Gold Race lieten ze laconiek aan zich voorbij gaan. Ze zitten doodbedaard te suffen op hun nest in het avondzonnetje aan de overkant van de groeve, zo'n 300 meter verderop. Maar alert zijn ze wel – als je hard praat of lacht gaan de oorpluimen meteen omhoog.

Met het blote oog kun je het nest nauwelijks zien. Maar Hans Damink van de vogelwerkgroep Zuid-Limburg en al uilengek sinds zijn kinderjaren, heeft een fabelachtige Leica-telescoop meegebracht – voor de aanschafprijs had je een leuk autootje kunnen kopen. ,,Kijk, daar zitten ze.''

Eerst zie ik helemaal niks, maar ineens begint de grauwbruine mergelwand te bewegen en tekenen zich twee perfect gecamoufleerde uilskuikens af. Het lijken wel teddyberen. Groot, plomp en pluizig, nog in hun donskleed, met enorme oranje ogen en korte vlerkjes, waarin de eerste echte veren beginnen door te komen. Kolossale klauwen klemmen zich aan het richeltje vast. ,,Hun eerste levensweken zaten de kuikens verscholen onder moeders vleugels, pas als ze een maand oud zijn krijg je ze voor het eerst te zien'', vertelt Damink, die hier vrijwel elke avond komt. ,,Ze moeten nu zo'n zes weken oud zijn, dan verkleuren hun ogen van geel naar oranje.''

Zo rond een uur of zeven 's avonds worden ze actief. Eén jong is nog `in dekking', plat tegen de grond gedrukt. Zijn grotere broer of zus zit parmantig rechtop, kijkt rond, knippert met zijn ogen of krabt op zijn kop. Dan weer doet hij acrobatische rek- en strekoefeningen, waarbij hij nu eens zijn hals strekt en dan weer zijn kop soepel op zijn grote voeten legt. ,,Er wordt wel gezegd dat ze dat doen om afstanden te leren schatten'', zegt Damink. Pas na een half uur turen ontdekken we ook de moeder, roerloos tegen de rotswand, vlak boven het nest.

Damink: ,,Je ziet overal rond het nest voedsel liggen. Zo om de twee of drie uur beginnen ze ineens met zijn allen te eten. Vlak boven het nest wemelt het van de konijnenholen – aan voedsel geen gebrek.'' Over een week of twee zullen de uilskuikens hun eerste pasjes oefenen op de richel. Een keer zag Damink tot zijn afgrijzen dat er een kuiken in de groeve was getuimeld, maar de volgende avond zat het weer keurig bij het nest.

De meeste kuikens halen hun eerste verjaardag niet en met twee kuikens is het broedsucces op de Sint Pietersberg dit jaar gehalveerd. Drie jaar lang bracht het Limburgse paar telkens vier jongen groot – tot verbazing van ornithologen, want gemiddeld ligt het internationale broedsucces op 2,5.

Hoe lang de oehoes hier nog blijven is de vraag. Meestal verkassen ze na een jaar of drie, misschien uit hygiënische overwegingen, al zit er ook wel eens een paartje vijftien jaar lang met succes op het zelfde nest.

Volgens Damink zit er dit jaar een ander mannetje. ,,Hij gedraagt zich totaal anders, laat zich nauwelijks zien of horen. In vorige jaren kon je hem tot op een meter of dertig benaderen, dit jaar heb ik hem van december tot april niet gezien. En ook zijn borsttekening is anders.''

Het toekomstige lot van het Zuid-Limburgse uilenpaar ligt in handen van de provincie Limburg – die toch al zo geplaagd wordt door zeldzame diersoorten als korenwolf en knoflookpad. De provincie zou de mergelgroeve het liefst volstorten met vuursteen – keihard, kalkrijk afval van de mergelwinning. Mergelfabrikant ENCI heeft daarvan nog zo'n 300.000 ton over en die moet ergens naar toe.

Met de ENCI heeft Hans Damink namens de Vogelwerkgroep Zuid-Limburg regelmatig contact over de noodzaak om de unieke reuzenuilen te beschermen. Damink: ,,Ze komen ook vaak kijken. Ze zijn niet onredelijk, maar er is nu eenmaal een groot commercieel belang.'' De mergelwand waar de uilen het eerste jaar (1997) nestelden werd afgegraven. Daarna verkaste het broedpaar naar de tegenoverliggende wand, die volgens de ENCI-plannen gespaard zal blijven. De noordwand, de `winterwand', zoals de Belgen hem noemen, omdat de uilen hier in de winter bescherming vinden tegen de gure zuidwestenwind, zal in 2004 zijn afgegraven. Een verzoek van de vogelwerkgroep om daarbij zo'n tien meter winterwand te sparen werd afgewezen, want mergel is kostbaar. Wel wil de ENCI ter vervanging een kunstwand van vuursteen oprichten, als de natuurbeschermers daarvoor de kosten dragen, maar hoe dat moet is onduidelijk. Om de uilen te helpen werkt de ENCI de mergelwanden tegenwoordig minder glad af dan vroeger, zodat de oehoes op de richels beter uit de voeten kunnen.

De provincie verlangt dat de ENCI binnen de contouren van de huidige groeve van zo'n 200 bij 300 meter blijft en de Sint Pietersberg niet verder uitmergelt. Daarmee kan het bedrijf nog tot 2010 vooruit. Er wordt op verschillende plekken tegelijk gegraven, waarbij men uiteenlopende kwaliteiten mergel wint en vervolgens mengt. Er zijn plannen om op één locatie ook de diepte in te gaan, tot 40 meter diep, zo'n 5 meter boven NAP. Dat vergt echter een complexe waterbeheersing. Als de dieptewinning haalbaar blijkt, kan de ENCI daarmee nog tot 2040 vooruit.

Damink: ,,Eigenlijk verdienen die oehoes op grond van de Europese Vogelrichtlijn volledige bescherming, ze zijn tenslotte uniek in Nederland. De meeste oehoes in de omringende landen broeden in oude groeves langs het water, langs de Ourthe, de Lesse en de Ruhr. Behalve in groeven broeden ze ook wel in bossen. Er zijn zo'n 2500 soortgelijke groeven, maar er zijn er maar heel weinig waarin oehoes broeden. De ervaring leert dat de dieren vaak vertrekken als ze worden verstoord. Ze willen absolute rust.''

Behalve dan dat paartje dat vorig jaar in het centrum van Aken broedde in een leegstaande fabriekshal, naast een voormalige Wehrmachtsbunker als podium voor oorverdovende popconcerten. Maar misschien waren die uit de naburige dierentuin ontsnapt.