Eén boer op de tien zegt arm te zijn

Tien procent van de agrarische gezinnen zegt niet te kunnen rondkomen van het inkomen.

Dit blijkt uit het rapport `De beleving van armoede bij agrarische gezinsbedrijven' dat vandaag is gepresenteerd op een congres in Wageningen. Het rapport is opgesteld door ir. Jolanda Vinkers en dr. Kees de Hoog van Wageningen Universiteit, op verzoek van het Kritisch Landbouw Beraad, het Steunpunt Landelijke Boerinnen Belangen en de Werkgroep Kerken en Landbouw.

Het percentage gezinnen dat zegt niet te kunnen rondkomen steekt volgens de onderzoekers nog gunstig af bij de harde cijfers: uit analyses blijkt dat 23 procent van de agrarische gezinnen een inkomen heeft dat onder de armoedegrens ligt. Het verschil tussen beide percentages kan onder meer worden verklaard doordat veel arme gezinnen het uitgavenpatroon zodanig hebben aangepast dat zij hiermee wel rond kunnen komen. Ook heerst er volgens de onderzoekers wellicht een zekere schroom onder agrarische gezinnen om met hun problemen naar buiten te keren en te erkennen dat zij arm zijn.

Uit het onderzoek blijkt overigens dat weinig gezinnen overwegen met het bedrijf te stoppen. Bovendien zijn de meeste respondenten over het geheel genomen redelijk tevreden met hun totale situatie. Voor het wonen, werken en leven op het platteland wordt een rapportcijfer zeven gegeven. Illustratief is wellicht de opmerking van een respondent: `liever arm op het platteland dan rijk in de stad'.

Het onderzoek van de Wageningse sociologen is de tweede fase van het onderzoek naar armoede op agrarische gezinsbedrijven in Nederland. In oktober 1999 rondde het Landbouw Economisch Instituut een onderzoek af dat gericht was op het kwantificeren van het aantal agrarische gezinnen beneden het sociaal minimum. In de tweede fase van het onderzoek stond de beleving van armoede centraal en is nagegaan waardoor gezinnen in de problemen raken en welke overlevingsstrategieën zij hanteren om de armoede het hoofd te bieden. Hiertoe is een schriftelijke enquête afgenomen bij vijfhonderd gezinsbedrijven in de land- en tuinbouw. Als maat voor de objectieve armoede is het sociaal minimum van 36.513 gulden netto (bedrijfswinst na belasting) gebruikt.