Vredesmissie was `uitvoerbaar'

Lastige vragen stelde de commissie-Bakker die de besluitvorming rond vredesoperaties onderzoekt, gisteren niet.

Met een rood hoofd en licht trillende handen zat hij gistermidddag voor de parlementaire commissie die de uitzending van Nederlandse militairen onderzoekt. Luitenant-generaal buiten dienst Ruurd Reitsma, begin jaren negentig plaatsvervangend bevelhebber van de landmacht. Zijn superieuren in de defensie-top hadden niks moeten hebben van het idee, in 1993, om de luchtmobiele brigade naar Srebrenica te sturen, de moslim-enclave die door de VN `veilig' was verklaard. Maar Reitsma had de bescherming van het gebied door Nederlandse militairen een ,,eervolle, niet eenvoudige, maar uitvoerbare opdracht'' genoemd. En iedereen weet hoe het in de zomer van 1995 afliep: onder de ogen van Dutchbat werden moslimmannen gescheiden van vrouwen en kinderen, duizenden moslims werden gedood door Bosnisch-Servische troepen.

Erg nerveus had de oud-generaal zich niet hoeven maken voor de ondervraging in de Tweede Kamer. Hij kreeg van de commissie maar één echt lastige vraag. Reitsma was in november 1993 naar Bosnië gereisd om het gebied te verkennen. Hij had Srebrenica, waar toen nog Canadese militairen zaten, niet kunnen bereiken omdat het weer te slecht was. Toch had hij vanuit Kroatië een fax gestuurd naar Defensie waarin hij schreef dat de missie uitvoerbaar was. Hoe kon dat? Hij had toch niks gezien? Reitsma: ,,Ook als je er niet bent, kun je nog wel veel te weten komen. Op basis van kaartjes bijvoorbeeld.'' De generaal legde uit dat er met de strijdende partijen een overeenkomst was getekend over `freedom of movement'. Er zou geen probleem zijn met bijvoorbeeld de aanvoer van munitie, voedsel en brandstof.

De commissie vroeg niet verder.

Reitsma's baas in die jaren, oud-bevelhebber van de landmacht generaal Hans Couzy, zei later tegen de commissie dat ,,iedereen wist wat die `freedom of movement' waard was'': niks. De verkenningstocht van Reitsma was volgens Couzy slechts window-dressing geweest, net als de ook mislukte reis van de toenmalige minister van Defensie Relus ter Beek. Deze had, onder druk van de Kamer, al besloten dat de Nederlanders naar Srebrenica gingen.

Couzy was tegen de missie geweest omdat hij geen vertrouwen had in de vredesregelingen die werden bedacht. Voor hem was de bescherming van de enclave een ,,onuitvoerbare operatie''. De krijgsmacht was net begonnen aan een reorganisatie, en de luchtmobiele brigade was nog maar kort geleden opgericht. Ook generaal buiten dienst Arie van der Vlis, in die tijd chef defensiestaf en de belangrijkste militair adviseur van de minister, had zich hevig tegen de opdracht verzet. Gisteren zei hij: ,,Ik vond ex-Joegoslavië een volstrekt wespennest, waar geen verbetering in zou komen.'' En Nederland deed al meer dan `redelijkerwijs' verwacht mocht worden: ,,We zaten op zee, we zaten in de lucht, we deden van alles.''

De beslissing om de eenheid toch te sturen werd genomen toen Couzy en Van der Vlis met vakantie waren. Hun plaatsvervangers waren vóór uitzending, maar Couzy en Van der Vlis zeiden gisteren dat zij zelf `waarschijnlijk' ook voor de druk van minister en parlement waren gezwicht. Van der Vlis heeft toen overwogen af te treden, zei hij. Couzy bleef aan omdat hij `loyaal' wilde zijn aan de minister, en de mannen die naar Bosnië gingen niet wilde ontmoedigen.

De commissie vroeg Couzy naar het evacuatieplan van de Nederlandse VN-generaal Cees Nicolai. De VN had nadrukkelijk laten weten dat Dutchbat de moslimvluchtelingen op de basis moest helpen. Nicolai liet die opdracht weg in de richtlijnen die hij zelf, na overleg met het ministerie in Den Haag, naar Dutchbat stuurde over de evacuatie. Voorzitter Bakker had die richtlijnen ook gezien, maar herinnerde zich gisteren niet wat erin stond. Hij vroeg Couzy of er iets werd gemeld over vluchtelingen. Couzy dacht van niet. Bakker was verbaasd, hij moest de papieren, zei hij later, zelf nog eens doorkijken.

Hoofdschuddend luisterde oud-minister van Defensie Bram Stemerdink naar de verhoren. Hij zat op de publieke tribune en had de papieren, van de VN én van Nicolai, binnen handbereik. Hij moest zich beheersen om er niet luidkeels uit te citeren. ,,De commissie vraagt niet door'', zei hij na afloop. Hij kon ook niet begrijpen dat er geen link werd gelegd met verklaringen die Dutchbat-militairen hebben afgelegd voor het Joegoslavië-tribunaal. ,,Majoor Franken heeft daar gezegd dat hij Couzy direct inlichtte over gruwelijke praktijken van de Serviërs. Dan ga je toch geen feestelijke bijeenkomst organiseren in Zagreb.'' Stemerdink stelde vast dat de commissie op de eerste dag niet erg alert was geweest.

Na afloop van zijn verhoor zei oud-minister van buitenlandse zaken Hans van den Broek dat hij het vreemd vindt dat het onderzoek niet door een enquête-commissie wordt gedaan, waarbij mensen onder ede kunnen worden gehoord. ,,Na alles wat er is gebeurd, is een enquête gerechtvaardigd om schoon schip te maken. Voor zo'n enquête zou ik me ook beter hebben voorbereid.''