Ontbrekende bladen kosten miljoenen

Tegen betaling van 120.000 dollar krijgt Nederland vier tot voor kort onbekende bladzijden uit het dagboek van Anne Frank.

,,Ik ben tevreden'', zegt Cor Suijk. Eindelijk heeft de Staat der Nederlanden dan toch erkend dat hij de rechtmatige eigenaar is van vier dagboekbladen van Anne Frank. Dat hij geen geld vroeg voor gestolen documenten, maar voor eigen bezit. Om met dat geld vervolgens Amerikaanse schoolkinderen op de hoogte te stellen van de verschrikkingen van racisme en oorlog. Suijk: ,,Ik ben lange tijd op z'n best beschouwd als een soort Robin Hood. Die positie heb ik verlaten. Ik tel weer mee.''

Tweeëneenhalf jaar nadat de 75-jarige voormalig mededirecteur van de Anne Frank Stichting in Amsterdam liet weten dat hij in het bezit was van nooit gepubliceerde bladzijden uit het dagboek van Anne, heeft hij overeenstemming bereikt met de Nederlandse staat. Suijk stelt binnen een jaar de dagboekbladen ter beschikking aan het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, in ruil voor een donatie van minister Hermans (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) van 120.000 dollar. Het geld is bedoeld voor de Holocaust Education Foundation, die Suijk anderhalf jaar geleden in het Amerikaanse Cincinnati oprichtte om leraren op middelbare scholen bij te scholen voor themalessen over racisme en oorlog.

Bovendien heeft Nederland toegezegd te helpen zoeken, met veilinghuis Christie's, naar een sponsor voor het instituut. Volgens Suijk heeft inmiddels een Nederlandse sponsor mondeling toegezegd de cursussen voor ruim 1 miljoen dollar te steunen. Suijk: ,,Ik kan de naam nog niet noemen, deze sponsor heeft redenen om zich nog niet bekend te maken. U zult dat straks onmiddellijk begrijpen. Zodra de sponsor zich bekend maakt, kan ik de dagboekbladen aan het NIOD overhandigen. Dat zal binnen een jaar zijn, maar ik hoop veel eerder.''

Dat Suijk al twintig jaar beschikte over de onbekende pagina's uit het dagboek van Anne Frank, kwam anderhalf jaar geleden in de openbaarheid. In de dagboekpassages schetst Anne, op 8 februari 1944, een kritisch beeld van het huwelijk van haar ouders. Suijk, een huisvriend van de familie Frank, verklaarde de bladzijden te hebben gekregen van Otto Frank, de vader van Anne, toen het Duitse Bundeskriminalamt Otto Frank bij een onderzoek naar de echtheid van het dagboek vroeg naar de manuscripten. Suijk: ,,Otto Frank had een enigszins merkwaardige relatie tot de waarheid. Om het Bundeskriminalamt naar waarheid te kunnen zeggen dat hij niets uit de nalatenschap had achtergehouden, gaf hij de bladzijden die hij niet aan de openbaarheid wilde prijsgeven aan mij in eigendom. Hij deed dit met de woorden: `Eigenlijk had ik ze moeten vernietigen, maar dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen'.''

Suijk wilde de pagina's niet zonder slag of stoot afstaan aan het NIOD, dat de nalatenschap van Otto Frank beheert. Suijk eiste geld voor het Anne Frank Center in New York, waaraan hij verbonden was. Dat de onderhandelingen tussen Suijk en de Nederlandse staat zo lang hebben voortgesleept, komt volgens Suijk doordat Nederland lange tijd heeft betwist dat Suijk de rechtmatige eigenaar van de papieren is. Suijk werd ook fel aangevallen door het Anne Frank Fonds in Basel, dat als eigenaar van de auteursrechten van het dagboek Suijk opriep de ontbrekende pagina's over te dragen en ook Suijk beschuldigde van afpersing.

Dat het nu tot een doorbraak is gekomen, heeft twee oorzaken. Suijk: ,,Landsadvocaat Den Hertog heeft een ommezwaai gemaakt en op grond van circumstantial evidence ingezien dat ik inderdaad de rechtmatige eigenaar van de bladzijden ben. Dat er een ommezwaai is gekomen, vind ik bewonderenswaardig aan de landsadvocaat. Daarnaast ligt er een nieuwe druk van de wetenschappelijke uitgave van het dagboek klaar. Daarin staan ook de bladzijden uit mijn bezit. Die heeft het NIOD eerder gekopieerd. Het Anne Frank Fonds in Basel geeft pas toestemming om het werk uit te geven als de bladzijden bij het NIOD zijn. Dat heeft ook druk op de ketel gezet.''

Suijk denkt met het geld zes à zeven jaar lang in Amerika in totaal ongeveer 8.000 docenten aan high schools te kunnen bijscholen met cursussen over racisme en oorlog.