Kom maar op, Joschka Fischer!

Het plan van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, voor een Europese federatie en een Europese grondwet heeft in Frankrijk weinig bijval gekregen. Dat is onterecht, vindt Pierre Lellouche.

Sommige tekenen bedriegen niet. Zes weken voordat Frankrijk het voorzitterschap van de EU overneemt, zijn de Franse `politieke klasse', de media en de publieke opinie (via peilingen) uitsluitend gericht op de binnenlandse discussie over een vijfjarige zittingstermijn voor de Franse president. Vrijwel niets over Europa en al helemaal niets over de Franse ideeën met betrekking tot de Europese zaak. De initiatieven komen weer – en dat betreur ik – uit Duitsland, met de voorstellen van minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer. Na het mislukte Franse optreden bij de hereniging, tien jaar geleden onder François Mitterrand, het Franse stilzwijgen in 1994 over het `plan' Lamers-Schaüble, heerst er nu weer grote stilte onder de intellectuelen, de politieke partijen en de gezagsdragers.

Het is alsof ze niet nadenken over de toekomst van Europa. Toch is dat de enige kwestie van belang aan de vooravond van het Franse voorzitterschap, dat onmiskenbaar samenvalt met een sluimerende en potentieel diepgaande crisis in het proces van Europese eenwording . Degenen die weten waarover ze praten zijn het erover eens dat de monetaire autoriteiten niet kunnen volstaan met beschaamd hun mond te houden over het afglijden van de euro, en dat ook de oorverdovende stilte van de regeringen op dit punt geen pas geeft. Sinds het mislukte Verdrag van Amsterdam functioneren de instituties niet goed meer en er is een wonder nodig wil er aan het eind van dit jaar op de top in Nice een akkoord worden bereikt over institutionele hervormingen en uitbreiding.

Erger nog, de democratische verwijdering tussen de publieke opinie en deze instituties, die gezien worden als verafgelegen, ondoorzichtig en tegelijkertijd alomtegenwoordig, wordt steeds maar groter. Europa is vruchteloos bezig op gebieden die onder het gemeenschappelijke beleid moeten komen te vallen, zoals immigratie, drugsbestrijding, zwart geld en justitiële samenwerking. En op het terrein van buitenlandse politiek en defensie bestaat een wijde kloof tussen de beleden doelstellingen en de beschikbare middelen. Weliswaar wordt wat betreft de nieuwe instituties op dat laatste gebied hoog opgegeven van de geboekte vooruitgang sinds de Frans-Britse top eind 1998 in Saint-Malo, maar de financiële middelen blijven daarbij achter.

Overal in Europa, en met name in Duitsland, worden de militaire uitgaven omlaag gebracht, en het uiterst kleine voor Europa beoogde expeditieleger van 60.000 man (voor 350 miljoen inwoners!) zal niet de beschikking krijgen over zelfstandige middelen voor het verwerven van inlichtingen, noch over de wapens die zijn afgestemd op de bedreigingen van na de Koude Oorlog.

Dit snel geschetste beeld leidt tot een weinig geruststellende diagnose. Weliswaar gaat het beter met de Europese economieën, meegesleept als ze worden door de Amerikaanse groei en de mondialisering, en de werkloosheid daalt vrijwel overal, maar Europa zelf lijkt te stagneren. Het ontbreekt aan toekomst, aan instituties, er is geen samenbundelend plan. En dat alles tegen de achtergrond van nakende uitbreiding/verwatering van de EU en uitputting van het vertrouwen tussen de twee aandrijvende landen, Frankrijk en Duitsland. Op die manier lijkt de Europese krachtsinspanning in de richting te gaan van steeds verdergaande verwatering, zowel geografisch (door de uitbreiding) als wat betreft de doelstellingen, waarbij kritiekloos te veel wordt ondernomen en er een min of meer berustende onverschilligheid heerst onder de bevolking. Er hoeft maar een zware crisis te ontstaan in Europa of in een van de lidstaten, en het ondenkbare zou wel eens werkelijkheid kunnen worden: de omkeerbaarheid van het proces dat vijftig jaar geleden in gang is gezet.

Juist wegens deze situatie moeten we serieus ingaan op de voorstellen van Joschka Fischer. Natuurlijk is de `institutionele herfundering' die hij voorstelt niet het wondermiddel waarmee alle problemen kunnen worden opgelost. Zijn voorstel stelt in ieder geval wél de toekomst van Europa centraal, en zonder dat zullen de uiteenlopende politieke beslissingen die op de diverse gebieden worden genomen (door Fischer terecht de `methode'-Monnet genoemd) meer en meer hun betekenis verliezen en vooral ook hun legitimiteit. Ik ben het eens met de meeste punten die Fischer naar voren brengt. Ik zou zelfs `Kom maar op!' tegen hem willen zeggen om meteen met Duitsers en Fransen aan de slag te gaan zodra Frankrijk het voorzitterschap heeft.

Ik stem in met het uitgangspunt van Fischers benadering. Hij stelt: ,,Europa is niet een nieuw continent, maar een continent met veelverschillende volkeren, culturen, talen en geschiedenissen; de natiestaten zijn onmisbare realiteiten, en hoe meer de mondialisering en de europeanisering overkoepelende structuren doen ontstaan die ver van de burgers staan en waarin anonieme mensen werken, hoe meer de menselijke wezens zich zullen vastklampen aan de zekerheid en morele veiligheid die natiestaten hun bieden.'' Zelfs als de fase van politieke integratie, die nu noodzakelijk is wegens de op handen zijnde uitbreiding, vereist dat de huidige confederatie plaatsmaakt voor een federatie van een `klein aantal' landen die graag het `zwaartepunt' van het grote Europa willen vormen, dan nog zullen de natiestaten in deze `federatie' behouden moeten blijven en zullen hun instituties niet mogen verdwijnen. Dat is een groot verschil metde benadering van Karl Lamers en Wolfgang Schäuble, die streefden naar een planmatige afschaffing van de nationale structuur.

Wie federatie van staten zegt, zo gaat Fischer verder, zegt vertegenwoordiging van diezelfde staten in de Europese instellingen. En dan neemt de minister tot mijn grote vreugde ook nog een ander door de gaullisten en met name Philippe Séguin gekoesterd idee voor zijn rekening, namelijk dat van een tweede Europese Kamer met vertegenwoordigers uit de nationale parlementen en die, wat mij betreft, naar verhouding van de bevolkingen kan zijn samengesteld. En wie tenslotte federatie zegt, zegt ook het duidelijk en vrijwillig verdelen van taken tussen de staten en de `Europese regering' op basis van een contractuele verdeling van soevereiniteit tussen Europa en de staten.

Ik maak me al lang sterk voor een dergelijke `constitutie van Europa', die een eind zou maken aan het voortdurende afknabbelen van nationale bevoegdheden en het overbrengen daarvan naar Europese instellingen (met name de Commissie), iets dat soms buitensporige vormen aanneemt en door de bevolking nooit goed wordt begrepen. Ik geef de voorkeur aan een federatie van een klein aantal landen (de `harde kern' van de `versterkte samenwerkingsverbanden') met duidelijk vastgestelde bevoegdheden en een werkelijke democratische legitimiteit dan de warboel die de huidige confederatie met al haar onenigheid vormt en die stukje bij beetje de staten en de nationale parlementen bevoegdheden ontneemt om ze toe te delen aan allerlei ambtenaren die geen legitimiteit bezitten maar die wel beslissingen nemen over zaken waarin eigenlijk de nationale staten zelf bevoegd zijn. Daarvoor moet de methode-Monnet – het afknabbelen – plaatsmaken voor het contract – de constitutionele herfundering – tussen volken, tussen staten. Dan is Europa op een veel verstandiger manier bezig en heeft het veel meer zelf de toekomst in de hand. Daarvoor is een `zwaartepunt' nodig dat bestaat, zoals Fischer voorstelt, uit een paar landen die sneller en verder willen gaan. Ook daar ben ik het helemaal mee eens. Het voorstel steunt de Franse president, die al vóór het Verdrag van Amsterdam aanstuurde op de `versterkte samenwerkingsverbanden'.

Laten we nu al, aan het begin van het Franse voorzitterschap een Frans-Duitse werkgroep instellen, een `commissie van wijzen', die in staat is die nieuwe koers uit te stippelen, met als basisgegeven een `zwaartepunt' dat aanvankelijk beperkt is maar dat als taak heeft aan te zetten tot de omvangrijke hervormingen waarvan iedereen weet dat ze nooit door de huidige intergouvernementele conferentie van vijftien landen totstand kunnen worden gebracht. Daarmee zou dan ook beslist het Frans-Duitse koppel – onmisbaar instrument voor elke vooruitgang in de Europese Unie – nieuw leven worden ingeblazen en kunnen er kansen ontstaan voor een Europa, dat op vernieuwing wacht!

Pierre Lellouche is lid van het Franse parlement voor de gaullistische RPR.

    • Pierre Lellouche