`Een klein pistool doet wonderen'

Schrijver Arnon Grunberg schreef een `schoolkrantbetoog' van 500 woorden over `wapens op school'.

Vanaf 1 maart 2000 kan ik mijn school niet meer betreden zonder gefouilleerd te worden. Zelfs mijn schoenen moet ik uitdoen, omdat het mij een keer gelukt is een stilleto in mijn schoenzool te verstoppen. Voordat ik inga op de vraag waarom ik mij bewapend heb, wil ik de ondeugdelijkheid van het fouilleren aan de kaak stellen.

Meneer G. (natuurkunde) fouilleert alsof hij is ingehuurd stof van mijn jas te kloppen. Hij weet duidelijk niet waar hij mee bezig is. Meneer P. (aardrijkskunde) beleeft er plezier aan mij op alle mogelijke plekken te knijpen en hij heeft voor de paasvakantie gedreigd met een zaklantaarn in mijn anus te kijken.

Ik heb hierover een klacht ingediend bij de schoolleiding. Als er al gefouilleerd moet worden, en zoals uit de rest van mijn stuk zal blijken, heb ik daar mijn twijfels over, lijkt het mij verstandig dat het fouilleren wordt uitbesteed aan mensen die weten wat fouilleren is. Mensen die de discipline hebben om het fouilleerhok niet te verwarren met een neukhok, mensen die begrijpen dat fouilleren ook nooit een substituut zal zijn voor tederheid. Fouilleren is geen liefde, meneer K! Al aait u tien minuten over mijn buik, ik kom niet bij u eten.

Ook moet de schoolleiding mij vertellen wat de definitie van een wapen is. Is het nagelschaartje waarmee mevrouw B. (Frans) een vijftal leerlingen heeft bedreigd geen wapen? Is de vork die mijn lieve vriendin Z. in januari in de kantine in haar arm geprikt kreeg een wapen of niet? Zelfs als deze vragen worden beantwoord en het fouilleren wordt uitbesteed aan een particuliere beveiligingsdienst, zal ik het recht om wapens te dragen niet opgeven.

Ja, ik ben bewapend. Terwijl ik dit eindexamen maak, zit mijn mes op mijn lichaam geplakt. Omdat mij geen andere keus werd gelaten. De schoolleiding, de gemeente Gouda, de provincie Zuid-Holland en uiteindelijk de Staat der Nederlanden hebben verzuimd mij te beschermen. Ik neem ze dat niet kwalijk. Ze hadden het druk met andere dingen. Niet iedereen op deze scholengemeenschap weet wat ik in de vijf jaar dat ik hier rondloop allemaal verloren heb. Daarom volgt hier een korte samenvatting:

December 1998: ik verlies mijn linkeroog.

Juni 1999: Acht meisjes uit 4c, en een jongen uit 4d breken gezamenlijk mijn linkerarm.

Oktober 1999: ik loop een hersenschudding op tijdens een scheikundeles. Natuurlijk heb ik mijzelf ook wel eens schuldig gemaakt aan geweldsdelicten, maar laten we ons niet verliezen in een discussie over de kip en het ei.

Als ik december `98 een wapen had gedragen, had ik mijn linkeroog nog gehad.

Een klein pistool kan wonderen verrichten.

De overheid kan ons niet 24 uur per dag beschermen, en wij mogen dat ook niet van de overheid verwachten. Maar dat betekent wel dat het recht om wapens te dragen in de grondwet moet worden opgenomen. Fouilleerhokjes lossen niets op.

Ik richt mij nu rechtstreeks tot de Minister van Onderwijs. Excellentie, de agressie zit in de mens, de agressie zit in de jeugd.

Geef ons wapens, want wapens redden levens.