Cultuurnota 5

Ranti Tjan en Caroline Berkenbosch hebben gelijk: het poldermodel loslaten op de cultuur is als Sinterklaas in een grijs pak (NRC Handelsblad, 16 mei).

Consensus en kunst gaan slecht samen. Maar waarom stellen zij de Raad voor Cultuur voor als een ingeslapen club dilettanten, die om een paar honderd gulden vakantiegeld te innen, zo snel mogelijk naar consensus streven? En waarom denken zij dat het aanstellen van een nieuwe kunstpaus, die naast de inhoudelijke ook de zakelijke directeur van de cultuur zou moeten zijn, een verbetering is?

De populistische maatregelen die Van der Ploeg de laatste jaren over de kunst uitstort is een poging om met name de directeuren van de grote kunstinstellingen eens wakker te schudden om hen ervan te doordringen dat de tijd aan het veranderen is.

In de beeldende kunst zijn het met name de directeuren met de bekende namen als Haks, Hoet, Fuchs e.d. die door hun enge artistieke gezichtsveld er overmatig blijk van hebben gegeven dat hun musea de aansluiting op de cultuur verloren hebben. Reeds bij de opening van hun nieuwe of verbouwde museum ruikt het er al zo muf dat het niet zo vreemd is dat Van der Ploeg er alsnog de bezem door wil halen, al doet hij het onhandig. Maar een directeur van naam overhalen het zelf op een handiger manier te doen, kan hij wel vergeten.

Ik moet er niet aan denken dat juist deze mensen, waarvan Tjan en Berkenbosch zeggen dat het volwassen mensen zijn met oog voor het nieuwe, een positie krijgen waarin zij kunnen bepalen hoe ook het overige overheidsgeld besteed moet worden. Het is immers gebleken dat de toename van hun macht gelijke tred houdt met het krimpen van de visie.

Als het goed is ontstaat er bij de Raad voor Cultuur pas consensus als volwassen mensen met oog voor het nieuwe, op grond van hun persoonlijke visie, andere volwassenen met oog voor het nieuwe weten te overtuigen van een zinvolle besteding van overheidsgeld. Dat men evenveel macht heeft en in die zin aan elkaar gelijk is – hetgeen Tjan en Berkenbosch verwerpelijk vinden – betekent dat het aankomt op inhoud en overtuigingskracht. Dat lijkt mij hoopgevender dan het naar het pijpen dansen van één bekende die zijn gelijke niet kent.

    • Hans van Houwelingen