Verstoord stilleven

DE VIJF ATOOMMACHTEN in de wereld zijn overeengekomen afstand te doen van hun kernwapens. Een reuzenstap, die echter weinig opzien baart. Zij hebben namelijk verzuimd aan te geven op welke termijn zij de laatste atoombom en de laatste nucleair geladen raketkop naar de schroothoop zullen brengen. Bovendien, in artikel VI van het verdrag tegen spreiding van kernwapens uit 1970 verbinden de Vijf zich, samen met alle andere ondertekenaars, ,,te goeder trouw onderhandelingen te voeren omtrent doeltreffende maatregelen met betrekking tot spoedige beëindiging van de nucleaire bewapeningswedloop en tot nucleaire ontwapening en omtrent een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle''.

Het ziet er dus naar uit dat de conferentie van de 185 ondertekenaars in New York, waar de Vijf dit weekeinde hun belofte deden, het wiel opnieuw heeft uitgevonden. Toch heeft de belofte betekenis. De omstandigheden zijn sinds 1970 en zelfs sinds de laatste toetsingsconferentie van 1995 ingrijpend veranderd. In 1998 hielden India en Pakistan kernproeven en overschreden daarmee de zogenoemde drempel die bezitters van atoomwapens scheidt van niet-bezitters. Afgezien van het spanningsverhogende effect van de experimenten op het subcontinent zelf, betekenden zij het einde van een fase in de, korte, geschiedenis van het kernwapen. De fase namelijk waarin het oligopolie van de Vijf verzekerd en de overzichtelijkheid van het nucleaire stilleven gegarandeerd leek.

Waarschijnlijk moet de bereidheid van de Vijf om hun oude verplichting te vernieuwen tegen die achtergrond worden gezien. Met name India rechtvaardigde zijn proef met een verwijzing naar het niet-nakomen van de ontwapeningsverplichting door de Vijf. Andere landen-op-de-drempel zouden India's voorbeeld kunnen volgen.

DE KEERZIJDE is dat de Vijf nu iets zullen moeten laten zien, willen zij niet al hun geloofwaardigheid verliezen. Met name de kopgroep, Amerika en Rusland, zal haar arsenalen verder moeten verminderen. Van een bewapeningswedloop is sinds het einde van de Koude Oorlog weliswaar geen sprake meer, maar ondanks de drastische inkrimpingen van de laatste jaren kan nog steeds worden gesproken van een `overkill'.

De zaak wordt verder gecompliceerd door Amerikaanse plannen een antiraketschild op te richten. Op zichzelf zou zo'n schild onderdeel kunnen zijn van een programma tot algehele nucleaire ontwapening. Maar dan zou 1) zekerheid moeten bestaan over tempo en streefdatum en 2) het schild school moeten maken onder andere mogendheden. Onder de gegeven omstandigheden dreigen de Amerikaanse voornemens eerder tot een nieuwe wapenrace aanleiding te geven.

In de eindtekst van New York is dit vraagstuk niet aan de orde gekomen. De vraag is nu wat die tekst praktisch betekent. De tijd zal het leren.