Moeite doen voor kunst

Wie zegt dat je voor kunst moeite moet doen komt niet echt met een verrassend nieuwe uitspraak. Je kunt het ook interessanter zeggen. Wat mooi is is moeilijk heet een essaybundel van Gerrit Krol, die daarmee Plato citeerde die het ook weer niet van zichzelf had. Dus reeds de oude Grieken etc.

Wanneer doe je moeite voor een kunstwerk? Er zijn misschien mensen die dat nooit doen. Geen zin in. Laat dat kunstwerk maar moeite voor mij doen. Aan die mensen wordt nu meer dan vroeger tegemoetgekomen. Het geldt niet langer als behoorlijk om je als kunstwerk niet uit te sloven voor je publiek. Je moet er een beetje lekker bijstaan of hangen, een nieuwe jas kopen, dansschoenen aandoen, dan kun je als kunstwerk nog mee, zelfs als je het ongeluk hebt door Shakespeare of een andere oude dode gemaakt te zijn. Als de mensen daar maar niet te veel van hoeven merken, als je maar niet moeilijk doet, dan gaat het nog wel.

Maar sommige kunstwerken zijn eigenwijs. En sommige kunstenaars ook. Stom. Die verliezen de jeugd, het is niet anders, en dus de toekomst, eigen schuld dikke bult. In het tijdschriftje Nymph, voorheen een uitgave van studenten Nederlands van de Amsterdamse universiteit en nu een heus literair tijdschrift, staat een discussie tussen drie jonge mannen over de laatste roman van Willem Brakman De koning is dood. Brakman is geen gemakkelijke schrijver en er bestaan heel wat lezers die woedend worden van de naam alleen al, omdat ze de bijzonderheid van zijn stijl en zijn vertelkracht niet kunnen inzien en andere mensen kwalijk nemen dat die dat wel kunnen. Van de drie discussianten in Nymph is er één die van Brakman houdt en zijn best doet aan de andere twee duidelijk te maken waarom. Het is interessant om te horen wat deze drie jonge Neerlandici eigenlijk van een boek verwachten. De Brakmanlezer zegt over de schrijver: ,,Maar hij blijft hopen dat er een kleine groep mensen is die zijn best doet.'' Dat blijkt niet goed te vallen: ,,Die tijd ligt toch echt achter ons'', zegt de krachtigste afwijzer die even later op het woord `enthousiast' reageert met: ,,Mensen op de middelbare school krijg je hiermee nooit enthousiast voor literatuur.'' Dezelfde jongen besluit de discussie met: ,,Brakman doet dus geen concessies aan de lezer? Nou dan doe ik geen concessies aan Brakman.''

Dat is duidelijke taal.

Toch is één van de drie wel doorgedrongen in het universum van de lastige schrijver, dus reden tot pessimisme is dit gesprek helemaal niet. Jammer genoeg staat er niet in hoe het gekomen is dat de liefhebber liefhebber geworden is. Misschien is hij gewoon meegegroeid met de schrijver, begonnen bij het begin en zo, bijna als vanzelf, het steeds verknooptere oeuvre in geraakt. De vraag was en blijft: wat maakt dat iemand moeite doet voor een kunstwerk?

De veronderstelling is meestal dat er om te beginnen een of andere vorm van aantrekkingskracht moet zijn. Daarom worden ook allerlei kunstwerken nieuw en feestelijk verpakt, zodat mensen kunnen denken: `ha leuk, Asterix' en dan toch meteen wat Romeinen en hun geschiedenis en cultuur naar binnen gepropt krijgen. Dat is een manier. Maar dat lukt lang niet met alles en dat geeft waarschijnlijk ook niet. Veel onderwerpen die iemand zijn gaan interesseren waren helemaal niet op het eerste gezicht zo geweldig interessant.

Het is het misverstand dat je al zou weten wat je interesseert vóórdat je het kent. Het publiek vraagt, de kunstenaar draait. Maar het is net andersom. Er is aanbod, en daardoor ontstaat er een vraag. Dat eenvoudige meetkundige bewijzen zo verrassend mooi en helder waren zou ik nooit geweten hebben als de wiskundeleraar destijds niet gewoon meetkunde had gegeven maar gevraagd had: wat willen jullie van driehoeken weten? Nou niks, daar wilde ik niks van weten. Maar ik kwam wel altijd met rode wangen van gelukkige concentratie het wiskundelokaal uit na een proefwerk.

Er bestaat ook bijna niemand die helemaal uit zichzelf van opera houdt. Vroeger lag dat misschien anders, toen sloot die vorm dichter aan op wat men verwachtte en kon hebben, maar nu moet menigeen iets overwinnen voor hij al dat drama, die theatraliteit, dat gegil als er gestorven gaat worden, dat zingen als je het ook gewoon en veel sneller zou kunnen zeggen, een aantrekkelijke vorm vindt. Opera is iets dat je moet leren. Door te gaan. Door er misschien een paar keer niets aan te vinden. En dan blijkt er toch iets gebeurd te zijn na een poosje.

De dichteres Ida Gerhardt werkte in de jaren veertig als classica op een school in Kampen waar veel boerenkinderen kwamen die uit zichzelf niet vroegen om nu eindelijk eens een stukje Homerus te mogen lezen. Maar sommigen bleken verrassend goed terecht te kunnen met het Grieks. Ze schreef een mooi gedicht over `Een stoere Urkerknul, vaak met negotie/ – schol, bot of poon – met vader aan de dijk', die `een ruig schrift' voert waarin zijn Plato-vertalingen staan, met `wendingen (–) die ík nooit bereik'. En een andere keer schrijft ze over hoe ze in een klas over de dood van Patroklos leest en hoe het is of er een klasgenoot begraven wordt – `Toen Patroklos gelegd werd op de baar,/ werd hij door alle jongens uitgedragen.' Die kinderen hadden moeite gedaan, aanvankelijk omdat het moest en na een poosje hebben enkelen van hen er ook aardigheid in gekregen. Een aardigheid die leidde tot bijzondere ervaringen, want wie moeite doet krijgt er ook altijd iets voor terug.

In die al genoemde essaybundel van Gerrit Krol staat zijn dankwoord bij de aanvaarding van de Constantijn Huygens Prijs, onder de titel `Onleesbare boeken'. Daarin beweert Krol dat het eigenlijk een nadeel is als een boek spannend en boeiend etc. is. Want dan leest de lezer flink door en daarna heeft hij het boek `uit'. Klaar. Kan het op de plank. De vraag die door het boek gesteld is, is er ook door beantwoord. Krol gaat het om andere boeken. Boeken `waar het antwoord ons vermogen tot formuleren te boven gaat'. Dat soort boeken is niet `uit' als het een keer gelezen is, integendeel. Dan begint het pas.

Het is een onwaarschijnlijk verhaal dat het vermogen om moeite te doen afgestorven zou zijn. Het is alleen maar niet in de mode. De gedachte is nu dat de kunst zó leuk moet zijn dat iedereen er trek in krijgt. Niet dat iedereen blij mag zijn als-ie er een glimp van weet op te vangen. Nu ja. Modes veranderen. Intussen kan wie wil toch maar mooi Ida Gerhardt lezen, of Brakman of Krol. Of iets anders dat niet spannend en meeslepend is maar wel, juist, de moeite waard.

    • Marjolein de Vos