Het gaat om de knak

In de hal van Den Haag Centraal Station lopen we recht op elkaar af. Ik kijk nog eens goed. Jawel, het is hem onmiskenbaar: Ismael Ibovitz. Kortgeknipt maar met dezelfde Hercules-uitdrukking op zijn gezicht. Beleefd en onbeholpen schudt hij mij de hand.

Ik verbaas mij. Die jongen, die kleine gestalte die nu voor me staat, heb ik me daar de hele zomer zo druk over gemaakt? Maar als hij begint te spreken, en zorgvuldig gekozen woorden zijn mond volledig beheerst verlaten, weet ik weer waarom ik ooit zo stil werd in zijn nabijheid. Het komt door de manier waarop hij de `z' uitspreekt. Anticiperend op een gezegende en zorgeloze zaadlozing.

Bij Leonidas koopt hij een zak met vijf kersenbonbons. Ik laat mijn ogen glijden over de uitgestalde waar en waan mij Noisette Desirée. In de trein naar Leiden zijn maar twee zitplaatsen vrij en dus zitten we naast elkaar. Ik voel zijn been naast het mijne.

,,Dat is een hele mooie sjaal'', zegt hij en strijkt met twee vingers langs de stof.

,,Uit Malaga'', zeg ik, want met drie open klanken in een woord zit je altijd goed. Bovendien wil ik dat mijn sjaal en mijn hele wezen omgeven zijn met namen van mystieke en exotische oorden. Een kledingstuk afkomstig uit Zoetermeer zal dus altijd verzwegen worden.

,,Ik kom uit een textielfamilie'', verklaart hij zijn belangstelling en vist ondertussen nonchalant twee kersenbonbons uit het witte kraakzakje.

Voorzichtig verwijder ik het rode papiertje terwijl de trein zich in beweging zet. Behalve Ismael ken ik geen enkele andere jongen die chocola koopt voor zichzelf.

,,Het gaat om de knak'', zegt hij, ,,dat is het moment suprême van deze ervaring''. Alsof hij een keuzevak hedonisme doceert.

Gehoorzaam bijt ik de onderkant door. Ommiddellijk vult mijn mond zich met de zoete, bijtende vloeistof en rolt de met alcohol doordrenkte kers triomfantelijk over de tong. ,,Mppff'' is het enige dat ik nog verzuchten kan en ik plooi mijn gezicht zodanig dat hij het genot er aan kan aflezen. Daarna vraag ik: ,,Hoe gaat het eigenlijk met je studie filosofie?'' Het woord `wijsbegeerte' durf ik niet hardop uit te spreken.

Maar hij heeft zijn mond nog vol en kan niet antwoorden. ,,Ik ben een tijdje weggeweest'', mompelt hij later, en stopt het zakje met de resterende drie bonbons terug in zijn aktetas. ,,Parijs, omdat ik dat fysiek nodig had.''

,,Misschien zijn al die ervaringen maar relatief'', stel ik voor.

Tegenover ons zit een vrouw met een klein jongetje dat in haar armen rust. Het kind zwaait met een zakdoek en lacht voluit. En terwijl ik mijzelf de opdracht geef mij dit moment voor altijd te herinneren, schudt Ismael zonder aarzeling zijn hoofd en zegt: ,,Kijk zelf maar. Iedere ervaring is absoluut.'' Overmand door schaamte over dit streven naar volmaaktheid ontwijk ik zijn blik.

Op het station van leiden zweef ik haast. Van vermoeidheid en van ingehouden vragen. Mijn missie, het retourneren van de geleende boeken aan Ben Ali, ben ik ondertussen alweer vergeten.

Hij vertelt over de mobiele telefoon die hij voor zijn verjaardag heeft gekregen. Liever had hij een doosje gehad met heel veel liefde erin en een strikje er omheen. Ik had Ismael willen zeggen dat ik waarschijnlijk dat doosje was geweest en verwacht ook niet anders dan dat hij me bij hem thuis zal uitnodigen om me langzaam uit te pakken.

We lopen rechtdoor, slaan rechtsaf totdat we bij een Marokkaanse buurtsuper komen. Voor een krat met sinaasappels staat hij stil. Tot mijn grote verbazing begint hij met afscheid nemen.

,,Nodig je me niet bij je uit?'' vraag ik sans gêne.

,,Morgen heb ik mijn referaat over de geschiedenis van de muziek op Cuba, ik moet nog drie boeken lezen.''

Tegen zoveel vlijt kan ik niets inbrengen.

,,Ik dacht dat je me niet meer wilde zien?'' vraagt hij vervolgens.

,,Ik dacht dat jij mij niet meer wilde zien!'', werp ik tegen.

,,Dat was ook zo'', beaamt hij. ,,Ik was met iemand anders. Ik had het tegen je moeten zeggen, van mens tot mens, maar dat heb ik niet gedaan. Het spijt mij.''

Hij keert me zijn rechterwang toe als teken dat ik hem een afscheidskus kan drukken.

,,Nee, jij moet mij zoenen!'', protesteer ik. Huid en lippen raken elkaar vervolgens plechtig.

Wat ik hem eigenlijk had willen zeggen was: geef je over aan elke onverantwoordelijkheid die je maar bedenken kan. Vergeet dat je je naam ooit zo serieus nam. Tel maar na: Venus, Jupiter, Saturnus, Apollo, Mars, bestaan niets minder zonder hun naam. Voorbij alles wat je denkt te zijn haal je moeiteloos adem, haal je uit de lucht wat er aan lucht is, maar geeft haar net zo moeiteloos volledig prijs. Net zo wil ik je beminnen. Op datzelfde ritme. Me nooit aan je hechten, je nooit willen bezitten, je net als de lucht tot mij nemen en weer laten gaan.

Maar ik zeg niets en proef een kus die smaakt naar chocola.

    • Ariënne de Bruijn