Een feestconcert met angstaanvallen

Het concert van het Nieuw Ensemble onder de titel `Millenniumproof' was groots opgezet. Dat herinnerde aan een concert dat Anton Webern dirigeerde op 7 april 1932 in Barcelona op uitnodiging van Roberto Gerhard. Dat programma, met ondermeer Schönbergs Begleitmusik zu einer Lichtspielszene, eindigde om één uur 's nachts. Roberto Gerhard (1896-1951), de Catalaans-Engelse componist van Zwitsere origine, studeerde vier jaar bij Schönberg, maar verwerkte ook duidelijk Strawinsky-invloeden. Zijn virtuoze composities met de gitaar en het klepperend slagwerk in het middelpunt spreekt het briljante Nieuw Ensemble met al zijn tokkelinstrumenten duidelijk aan.

De uitvoering van Gerhards Libera (1968) was spetterend raak en van een opwindende kwaliteit. Maar ook de angstaanvallen in Schönbergs Begleitmusik als één grootse, zinloze vluchtpoging werden scherp getekend, al wreekte zich in deze kamermuziektranscriptie het gebrek aan een sterke strijkerssectie, met name de enkelvoudige bezetting van de cello, Schönbergs expressiefste instrument. Het was zijn eerste twaalftoons-stuk voor een grotere bezetting en de combinatie van panische expressie met dodecafone techniek werd hierbij bekrachtigd. Een twaalftoons-operette zou er niet meer in zitten. J. Schöllhorn tekende voor deze betwistbare transcriptie uit 1995.

In feite is ook Boulez' Dérive I uit 1984 een soort van transcriptie, te beschouwen als een derivaat uit het groots opgezette Répons in een zetting voor slechts fluit, klarinet, viool, cello, vibrafoon en piano. Dit was verreweg de beste uitvoering van de avond. Rennen de noten bij Schönberg als in paniek de zaal binnen, rechtop de luisteraar af die als verstijfd op zijn stoel zit, Boulez schiet zijn vuurpijlen hoog de lucht in als afstandelijke explosies, zij het wel degelijk ook met helse kracht.

Niets van dit al geldt Ravels serene Trois poèmes de Stéphane Mallarmé (1913) in de niet toevallige bezetting van Schönbergs Pierrot lunaire. Deze uitvoering was een stuk minder overtuigend, te iel, te weinig glinsterend avontuurlijk in de inzet van Soupir. Ed Spanjaard streefde kennelijk naar een terughoudende tederheid, maar kreeg een ietwat onhandige bedeesdheid. Daardoor raakte de sopraan Ellen Schuring in de problemen, kwam haar stem te los van de begeleiding te staan, zodat opeens gebreken, zoals een onideomatisch Frans, gingen storen.

Van die bedeesdheid was weer geen sprake in de overrompelende vertolking door John Snijders van Messiaens Cantéyodjayâ (1949) en ook de uitsmijter van het lange programma, Donatoni's Spiri (1977) duidde op een lange ervaring met deze muziek.

Oppervlakkig bekeken droeg dit concert van louter highlights uit de vorige eeuw een feestelijk karakter. Maar nader bezien, zou ik niet graag van sprankelend en schuimend willen spreken, van een eenzijdige virtuositeit. Het ging om een Spaanse furie bij Gerhard, een bezwering van de angst bij Schönberg en om het doorbreken van een writers block bij Boulez en Donatoni en misschien is dat wel hetzelfde.

Concert: Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard m.m.v Ellen Schuring (sopraan) en John Snijders (piano). Gehoord: 17/5 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 NCRV 20/7 20.02 uur.

    • Ernst Vermeulen