Duitsland wordt Waterloo van defensie EU

De hervorming van het Duitse leger is bittere noodzaak. Helaas bestaat in Duitsland nauwelijks draagvlak voor een echt grondige modernisering van de strijdkrachten, meent Bert Kreemers.

Tien jaar na het begin van ingrijpende veranderingen in de aard en omvang van de krijgsmachten van Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland, is nu ook Duitsland toe aan een heroriëntatie van de taken en opzet van de eigen strijdkrachten.

De achterstand is verklaarbaar. Tot in het midden van de jaren negentig was de Bundeswehr vastgeklonken aan een uitleg van de grondwet die geen ruimte bood voor inzet in crisisoperaties. Nergens in Europa zijn de defensie-uitgaven in ronde cijfers en in procenten zo sterk teruggelopen. Het gevolg is een sterk verouderde krijgsmacht met gebrekkig opgeleid personeel. De Bundeswehr, de meest omvangrijke krijgsmacht in de Europese Unie, zit vastgeroest aan een achterhaald veiligheidsconcept. Nog geen kwart van de meer dan driehonderdduizend militairen is in crisisoperaties inzetbaar.

Deze gang van zaken staat haaks op de ambities van Duitsland. De afgelopen jaren heeft Duitsland zich in Europa op buitenlands politiek gebied een prominente plaats verworven. Tijdens het Kosovo-conflict werd vanuit Berlijn doortastend en eensgezind opgetreden. Wil het grootste EU-land die positie behouden en zelfs versterken, dan is een fundamentele heroriëntatie nodig. De noodzaak daarvan is onomstreden. De huidige Bundeswehr loopt naar de mening van de minister van Defensie en de Duitse militaire top binnen de NAVO en de Europese Unie uit de pas. De Amerikaanse minister van Defensie, Cohen, riep eind vorig jaar zijn Duitse collega publiekelijk op het mes te zetten in de grotendeels niet-parate, voor crisisoperaties onbruikbare krijgsmacht. Het Duitse militaire aandeel is bij de verwezenlijking van een Europees veiligheids- en defensiebeleid onmisbaar. Het leeuwendeel van de Europese militaire inspanningen komt voor rekening van slechts drie landen: Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland. Slaagt Duitsland er niet in om op korte termijn zijn strijdkrachten te moderniseren, dan slinken de kansen op verwezenlijking van de Europese ambities.

Naar de huidige stand van zaken wordt Duitsland het Waterloo van de Europese defensieplannen. Voor moderne, op crisis- en vredesoperaties toegesneden krijgsmachten is de dienstplicht een blok aan het been. De belangrijkste Europese landen en de Verenigde Staten hebben gekozen voor uit louter beroepsmilitairen bestaande krijgsmachten. Bondskanselier Schröder wil niet tornen aan de dienstplicht bij de over enkele weken te nemen besluiten over de veranderingen in de Bundeswehr. Met uitzondering van de Groenen bestaat er geen enkele politieke steun voor de afschaffing van de dienstplicht. Ook een voorstel om de dienstplicht symbolisch te handhaven en in feite om te schakelen naar een all round professionele Bundeswehr maakt geen schijn van kans. Naast historische redenen spelen politiek-maatschappelijke overwegingen een belangrijke rol. Meer dan de helft van de Duitse dienstplichtigen beroept zich op gewetensbezwaren en kiest voor een alternatieve diensttijd in ziekenhuizen, bejaardenoorden en brandweerkorpsen. Vallen deze goedkope arbeidskrachten weg, dan vergt hun vervanging jaarlijks ruim acht miljard D-mark. Die prijs is de Duitse politiek te hoog. Zo is – absurd, maar waar – dienstweigering een van de belangrijkste argumenten voor handhaving van de dienstplicht.

Met handhaving van de dienstplicht is het onmogelijk de Bundeswehr uit te rusten en op te leiden voor de in Europees en NAVO-verband uit te voeren taken. Een forse verkleining van de Bundeswehr en een omschakeling naar een beroepskrijgsmacht scheppen mogelijkheden voor modernisering en nieuwe investeringen.

Verdere verlagingen van de defensie-uitgaven in de komende jaren hollen de Duitse krijgsmacht nog meer uit en zetten de verhoudingen binnen de NAVO op scherp. De Amerikaanse Senaat bereidt wetgeving voor om het Amerikaanse aandeel in de vredesmacht in Kosovo in de zomer van 2001 terug te trekken, tenzij de Europese bondgenoten de bereidheid tonen niet verder op hun defensie-uitgaven te bezuinigen.

De huidige Bundeswehr past niet in het Europese veiligheids- en defensiebeleid waartoe de Europese regeringsleiders vorig jaar hebben besloten. Duitsland is – anders dan Ton Nijhuis beweert (Opiniepagina, 15 mei) – op dat kernstuk van het Europese beleid de zwakste schakel. Het is sowieso opvallend dat in de Duitse discussie over de nieuwe inrichting van de Bundeswehr Europa niet ter sprake komt. Deze naar binnen gerichte discussie is voor Nederland onheilspellend. In het begin van de jaren negentig heeft Nederland, genoodzaakt door bezuinigingen en inkrimpingen, gekozen voor een gezamenlijk Duits-Nederlands legerkorps. Het grootste deel van de Nederlandse landmacht is in deze organisatie ondergebracht.

Duitsland kan het zich niet permitteren met de rug naar zijn bondgenoten in Europa en in Noord-Amerika te blijven staan. Hoe krampachtig er ook aan oude modellen en oriëntaties wordt vastgehouden, het is een kwestie van – uiterst kostbare – tijd totdat ook Duitsland de al eerder door onder andere Nederland ingeslagen weg naar een snel inzetbaar, sterk verkleind beroepsleger moet kiezen. De vraag wat Nederland in de onzekere tussentijd doet, valt niet te ontlopen. Als Nederland afwacht, sluit ons land zich aan bij een krijgsmacht die pas op de plaats maakt. Dat heeft op de weg naar een gezamenlijk Europees veiligheids- en defensiebeleid geen enkele zin. Maakt Nederland zich los uit de innige samenwerking met de Bundeswehr dan draagt ons land bij aan een nieuwe Duitse `Alleingang'.

Bert Kreemers is verbonden aan het Instituut Clingendael.