Achterstanden bij het Stedelijk `onaanvaardbaar'

De ontwikkelingen in de museumwereld hebben het werk van conservatoren ingrijpend veranderd. Op een symposium in Amsterdam is daarom gepleit voor een `herijking' van het begrip conservator.

De achterstand op het gebied van conservering en registratie heeft in het Stedelijk Museum in Amsterdam onaanvaardbare vormen aangenomen. Dat zei Marjan Boot, een van de veertien conservatoren van het Stedelijk, vrijdag op een symposium in Amsterdam. Boot bepleitte daarom een `herijking' van het begrip conservator en een nadrukkelijker scheiding tussen de samenstellers van exposities enerzijds en het personeel dat geschoold is in het beheer en behoud van de collectie anderzijds.

Bij navraag vanmorgen in het Stedelijk blijkt onder meer dat sommige afdelingen wat registratie betreft nog volledig van kaartsysteem op digitale media moeten overschakelen, dat de buitendepots voor de in totaal 100.000 stuks tellende collectie klimatologisch tekort schieten en dat er veel geld nodig is voor behoud van videobanden. Het museum heeft al een intern `Deltaplan' opgesteld, waarvan de uitvoering gedeeltelijk samenhangt met de museumverbouwing en -uitbreiding die op zich laat wachten.

Boots betoog had betrekking op de vraag aan welke criteria een hedendaagse museumconservator moet voldoen en in hoeverre studenten daarvoor opgeleid kunnen worden. Over één ding waren de vijf sprekers in het Allard Pierson Museum in Amsterdam het roerend eens: de ontwikkelingen in de museumwereld hebben het werk van conservatoren in de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. De klassieke conservator - in Engeland ook wel 'keeper' genoemd - was iemand die voorwerpen netjes uitstalde, catalogiseerde en van naamkaartjes voorzag. Zo nu en dan schoot er tijd over om een tentoonstelling te organiseren of een geleerd artikel te publiceren.

Maar de frequentie waarmee tentoonstellingen worden gehouden, is in de afgelopen decennia sterk toegenomen en de bezoekersaantallen van musea zijn navenant omhoog geschoten. Een beetje museum beschikt tegenwoordig over een educatieve dienst, bibliotheek, restauratieatelier, PR-afdeling, computervraagbaak en internetsite. Er zijn afdelingen die veel nieuwe verantwoordelijkheden voor de conservator met zich meebrengen, zoals het onderhandelen met drukkers, het schrijven van kindvriendelijke teksten, het te woord staan van de pers en het onderhouden van contacten met lokale politici, bruikleengevers en sponsors. Maar de klassieke taken van de conservator zijn daarbij geenszins komen te vervallen: hij of zij wordt verondersteld mee te kunnen praten over restauratietechnieken, de `markt' in de gaten te houden en regelmatig boeken of artikelen te publiceren.

Om de scholing van conservatoren aan te passen blikte Nicolette Sluijter, directeur Stedelijk Museum Gouda, alvast vooruit naar de nieuwe structuur van universitaire studies. Daarbij wordt een driejarige `bachelor'-fase gevolgd door een tweejarige `masters'-opleiding. Sluijter bepleitte eventueel museumgericht onderwijs in die tweejarige opleiding onder te brengen.

Frits Scholten, hoofd tentoonstellingen van het Rijksmuseum, betreurt dat museummedewerkers zo weinig deelnemen aan het academisch discours. In zijn ogen zijn ze te introvert en te veel op de collectie gericht. Paul Knevel daarentegen, conservator van het legermuseum in Delft, stelde de wisselwerking tussen universiteiten en musea heel wat rooskleuriger voor. Hij zag voor conservatoren een mooie taak weggelegd als `bewaker' van het historisch geweten van musea en prees daarbij de studie geschiedenis aan als degelijke opleiding. Als hoofd van de Topografische Atlas van het Amsterdamse Gemeentearchief stelde Ludger Smit onomwonden vast dat er in zíjn instituut geen plaats meer is voor conservatoren van de oude stempel. Hun plaats is intussen ingekomen door digitaliseerders en automatiseerders. ,,En daarnaast zijn er natuurlijk nog altijd mensen nodig die hebben geleerd hoe je inktvraat moet bestrijden of hoe je voorkomt dat nitraatfilms ontploffen.''

    • Erik Spaans