Aan De Leeuw is alles groot, ook zijn ambities

Sinds vier jaar is Ronald de Leeuw directeur van het Rijksmuseum, dat eind deze maand tweehonderd jaar bestaat. Met een ingrijpende renovatie van gebouw en staf zet hij het `Rijks' op z'n kop.

Gedreven. Een wervelwind, met zoveel energie dat het voor zijn omgeving verpletterend kan zijn. Een groot organisator. Een geboren onderhandelaar met een feilloze dossierkennis, die zich nauwelijks laat tegenspreken. Een culturele veelvraat ook, met een passie voor schilderijen, beeldhouwkunst, opera en literatuur. Ronald de Leeuw, estheet en strateeg tegelijk, bezit de perfecte combinatie van eigenschappen voor een museumdirecteur. Hij is groot (2.02 meter) en hij denkt groot: de wereld mag weten wat voor moois hij in huis heeft. Maar hoe is het om voor hem te werken? In de vier jaar die De Leeuw nu directeur van het Rijksmuseum is, haalde hij flink de bezem door de staf. Wie niet in zijn plannen past wordt aan de kant geschoven, zo lijkt het.

Het meest in het oog springende vertrek was dat van architect Hans Ruissenaars, de ontwerper van het masterplan voor de op handen zijnde verbouwing van het Rijksmuseum. De Rijksgebouwendienst zoekt nog steeds naar een opvolger. Volgens Rijksbouwmeester Wytze Patijn was een botsing van karakters de oorzaak van wat hij een `vervelende affaire' noemt: ,,Ze hadden wel waardering voor elkaars werk. Maar Ruissenaars is rustig, bedachtzaam; De Leeuw is flamboyant, neemt zijn beslissingen snel. Het klikte totaal niet tussen die twee.''

Ronald de Leeuw werd in 1948 in Rotterdam geboren. Hij doorliep de lagere school in Schiedam, waar vader De Leeuw een bontzaak bestierde, en bracht elke middagpauze in de winkel door. Hij wilde etaleur worden, stelde zijn speelgoed graag mooi op. Toen hij dertien was overleed zijn vader. Een jaar later verkocht zijn moeder de zaak; vanaf dat moment ,,hadden we het thuis niet breed'', aldus De Leeuw. Dankzij het Stedelijk Gymnasium in Schiedam, een `muzische' school met maar tweehonderd leerlingen waar veel aandacht besteed werd aan de `kleurrijke kant van het verleden', kwam de tiener De Leeuw voor het eerst in aanraking met de schone kunsten. Schoonheid vond hij ook in de bioscoop: hij hield van kostuumfilms als Ben Hur, de Sissi-reeks en de allermooiste, Spartacus. Hij ontdekte de collecties van musea als het Boijmans en het Rijksmuseum van Oudheden – soms met een oudere, aan de kunsten verslingerde vriendin, meestal in zijn eentje.

Om zijn moeder financieel niet langer tot last te zijn, besloot de `typische alfa' De Leeuw na zijn eindexamen om de opleiding tot accountant te volgen, waar een cursist meteen zijn eigen salaris verdiende. Na een jaar ging hij alsnog bestuderen wat hem het meest bezielde: de kunst. Hij werd spoorstudent, reisde heen en weer naar Leiden en voltooide zo in zeseneenhalf jaar de studie kunstgeschiedenis. De Leeuw: ,,Het kwam me eigenlijk een beetje aanwaaien. Mijn huiswerk deed ik voor de televisie.'' In 1972 ontmoette De Leeuw zijn grote liefde Gerlof Janzen, die nu werkt als psychiater in het Rotterdamse Dijkzigt Ziekenhuis en als literair vertaler. Het paar woont al achtentwintig jaar samen, eerst in Rotterdam, sinds 1986 in een Amsterdams grachtenpand. Als de koningin zijn museum bezoekt, ontvangt De Leeuw haar met Janzen aan zijn zijde. Er is een duidelijke taakverdeling tusen de twee: ,,Gerlof is een dag minder gaan werken, en hij is ook degene die kookt, die ontvangt'', aldus De Leeuw. ,,Zonder hem had ik geen vrienden meer over.''

De Leeuw leeft voor zijn werk, daar zijn allen het over eens. Ton Boxma, adjunct-directeur van het Van Goghmuseum: ,,Een workaholic zou ik hem niet willen noemen, dat is een te negatieve uitdrukking. Werken is zijn hobby, zijn passie, zijn leven.'' ,,Als museumdirecteur ben je dat museum'', zegt De Leeuw zelf, ,,je kunt er geen LAT-relatie mee hebben. Ter verluchting heb ik altijd nog de literatuur en de muziek.'' Hij houdt van Duitse romans en staat bekend als een groot operakenner. Gerlof Janzen: ,,We hebben nu minder tijd voor concerten, maar hij kan thuis een nota schrijven met een schreeuwende Electra op de achtergrond.''

Na zijn afstuderen kon de Leeuw meteen tentoonstellingen organiseren bij de Dienst Verspreide Rijkscollecties in Den Haag. ,,Ronald was vreselijk ambitieus en gedisciplineerd'', zegt zijn toenmalige baas Robert de Haas, nu directeur van de Rotterdamse Kunststichting. ,,Het museumleven is een soort koehandel: voor een goede tentoonstelling moet je altijd méér hebben. Hem ging daarbij geen brug te ver. Hij was een meester in netwerken.'' De exposities die De Leeuw voor de Dienst organiseerde werden steeds groter en prestigieuzer, met als hoogtepunt een tentoonstelling van meesters uit de Haagse School in 1983, die ook naar Londen en Parijs afreisde.

Toen in 1985 naar een nieuwe directeur voor het als `moeilijk' bekend staande Van Goghmuseum gezocht werd, beval De Haas De Leeuw zelf aan. In de tien jaar dat hij directeur van het Van Gogh was, stapelde De Leeuw het ene opzienbarende wapenfeit op het andere en wist hij het museum vanuit het niets op de kaart te zetten in de internationale museumwereld. Dankzij een driftig aankoopbeleid werd de collectie van een eerbetoon aan één schilder uitgebreid tot eerbetoon aan de hele negentiende eeuw. In het `Van Gogh-jaar' 1990 kwamen er 890.000 mensen af op de speciale jubileumtentoonstelling, en in 1996 werd de bouw van een nieuwe museumvleugel voltooid, ontworpen door de Japanse architect Kisho Kurokawa en bekostigd met een gift van een Japanse verzekeraar van 37,5 miljoen gulden.

Directeur van het Concertgebouw Martijn Sanders vertelt dat er bij de buren van het Van Gogh, verenigd in de Stichting Museumplein, grote twijfels over de uitbreiding bestonden. ,,Maar de uitkomst van het overleg was dat Ronald voor 100 procent zijn zin kreeg. Hij wist ons allemaal te overtuigen van de noodzaak van die vleugel - terwijl ik het voor het plein nog altijd niet de beste oplossing vind.'' Kunsthistoricus Ernst van de Wetering, die De Leeuw kent uit overlegsituaties: ,,Hij straalt van nature een enorme kracht uit, een mentaal overwicht. En hij heeft zijn fysiek mee natuurlijk, met die lengte, en die enorme handen.''

De Leeuw denkt op wereldschaal. Hij is een groot reiziger en treedt waar ook ter wereld als imponerende, onvermoeibare ambassadeur voor zijn museum op. Boxma: ,,Hij wordt overal als een held onthaald. Stel je eens voor, zo'n reus tussen al die kleine Japanners!'' In 1991 was De Leeuw betrokken bij de oprichting van het Committee of Organizers of International Exhibitions, waar vertegenwoordigers van musea als het Louvre, het Musée D'Orsay en het Metropolitan in New York lid van zijn. ,,In die club worden de problemen rond het organiseren van grote tentoonstellingen besproken'', zegt Boxma. ,,Ronald is er vanaf het begin als enige Nederlander in gaan zitten, en was nooit bang zijn mond open te doen.''

Op 1 december 1996 werd De Leeuw benoemd tot directeur van het Rijksmuseum, de meest eervolle positie in de Nederlandse museumwereld. Boxma: ,,We hadden het wel eens over het Rijks, en Ronald zei dan: `Daarvoor word je niet gevraagd, maar geroepen'.'' In kunstkringen gold De Leeuw, na de stormachtige successen bij het Van Gogh, als de doodgeverfde opvolger van Henk van Os. Zijn voorganger in populariteit overtreffen leek vanaf het begin uitgesloten. Van Os was als bewaker van de `nationale schatkamer' een beroemdheid geworden, die in een wekelijks televisiepraatje zijn liefde voor de kunst aan het grote publiek overbracht. Van de Wetering: ,,Van Os is een leraar in hart en nieren, die het vooral om de kunsthistorische inhoud gaat. Hij had minder bestuurservaring dan De Leeuw.'' Hoofd tentoonstellingen van het Rijksmuseum Frits Scholte, die ook onder Van Os werkte: ,,Als ze tegen elkaar zouden schaken, zou De Leeuw Van Os verslaan. Hij denkt strategischer. Maar Van Os speelt weer beter viool.''

De Leeuw wist toen hij de functie aanvaardde, dat het museum een vergaande renovatie te wachten stond. Deze moet de komende zes jaar plaatsvinden; de kosten zijn geraamd op zo'n vierhonderd miljoen gulden. Het masterplan voor de opknapbeurt van de vertrokken architect Hans Ruissenaars is inmiddels goedgekeurd, en de staat heeft het Rijksmuseum een gift van honderd miljoen gulden toegezegd. Sleutelwoord in De Leeuws aanpak van deze monster-operatie is doelmatigheid. Dat past goed bij het Rijksmuseum van de toekomst, maar minder goed bij de staf van vierhonderd man die De Leeuw aantrof bij zijn komst in '96. Sinds die tijd deed zich in het museum een `cultuuromslag' voor, zegt zakelijk directeur Dierik Elders. ,,Het Rijksmuseum is in 1995 geprivatiseerd, en dat betekent een verschuiving van een ambtenarencultuur naar een marktgerichte cultuur. Er werd hier te veel tijd besteed aan het management van ondersteunende diensten.'' De Leeuw: ,,Als er ergens overbodig vet zit, moet je streng zijn en het weghalen.''

Deze nieuwe manier van denken aan de top had een reeks voor het personeel pijnlijke beslissingen tot gevolg. In de afgelopen jaren veranderde maar liefst dertig procent van de museumstaf van functie: twintig procent werd overgeplaatst, tien procent werd, in de woorden van Elders, `in de markt gezet' ofwel ontslagen en elders aan werk geholpen. De kantinedienst, de huishoudelijke dienst en enkele onderhoudsdiensten verdwenen. Ernst Veen, directeur van de Nieuwe Kerk, die vaak samenwerkt met het Rijksmuseum: ,,De Leeuw denkt aan het museum als geheel. De mensen die er werken, ziet hij als functionarissen.'' Aan de top vertrok Annemarie Vels Hein, die als directielid verantwoordelijk was voor de presentatie van de collectie – de huidige portefeuille van De Leeuw. Vels Hein wil de reden van haar vertrek niet prijsgeven, maar zegt wel dat het ,,niet mijn eigen keuze was'' om het Rijks te verlaten. De directiesecretaresse werd na 25 jaar overgeplaatst. De Leeuw zit nu op haar oude kamer, een grotere dan die van Van Os. De publiciteit van het museum wordt zorgvuldig georkestreerd en tegenstanders van De Leeuw laten in het openbaar niets van zich horen. Maar dat ze er zijn, staat buiten kijf. Een deel van de werknemers gruwt van zijn koele, abstracte manier van leidinggeven - ze vinden hem een potentaat, die schijnbaar onbewogen over het lot van zijn ondergeschikten beslist.

Partner Gerlof Janzen: ,,Ronald bekijkt de dingen van bovenaf. Dat schept afstand, maar het is niet liefdeloos. Hij kwam bij het Rijksmuseum met een opdracht, en als je die goed wilt uitvoeren, kun je niet steeds met iedereen rond de koffietafel zitten.'' De Leeuw opereert als een industrieel in een softe sector, zegt Ernst van de Wetering. ,,In de museumwereld heeft men meestal veel consideratie met wat je `zwakke broeders' zou kunnen noemen; hij heeft die niet. De Leeuw licht organisaties door, koppelt mensen en banen aan elkaar, en als hij dan vindt dat iemand niet optimaal functioneert, trekt hij zijn conclusies.'' Elders: ,,Het is een echte kunstmanager, die zakelijke argumenten even zwaar laat wegen als artistieke. In deze branche is dat een nieuw fenomeen.''

Welke weg De Leeuw precies wil inslaan met de collectie is nog een raadsel. Als kunsthistoricus heeft hij geen duidelijke voorkeur. Zelf heeft De Leeuw te kennen gegeven dat hij meer buitenlandse kunst wil aankopen. Het Rijks zoekt momenteel naar een `conservator buitenlandse schilderkunst'. Collega's hebben hun bedenkingen bij deze koers. Robert de Haas van de Rotterdamse Kunststichting: ,,De achterstand van het Rijksmuseum op dat gebied is zo groot, dat haal je nooit meer in. Een Louvre of een National Gallery wordt het niet.'' Ernst Veen, aarzelend: ,,Misschien is het ook wel goed dat hij zo'n andere kant op wil. Hij past bij een nieuwe eeuw, een nieuw élan.''

    • Sandra Heerma van Voss