Verontrustende beelden op `Desperate Optimists'

Een kunstwerk, of het nu om een boek, een film of een schilderij gaat, is per definitie een persoonlijke uiting, gekleurd door de individuele opvattingen en emoties van de maker. Maar het lijkt wel of in de beeldende kunst dit persoonlijke aspect de laatste jaren een steeds belangrijkere rol is gaan spelen. Veel hedendaagse kunstenaars maken werk dat dicht bij henzelf blijft, werk dat zonder schroom verhaalt over dagelijkse beslommeringen en pijnlijke gebeurtenissen, werk waarmee de maker zich blootgeeft aan het publiek.

De kwetsbare positie van de kunstenaar is het overkoepelende thema van het vijftiende Festival a/d Werf in Utrecht. Curator Moritz Küng, die dit jaar voor de derde keer het beeldende kunst-programma samenstelt, vroeg tien kunstenaars naar een persoonlijke en kritische reflectie op hun eigen rol in de huidige kunstwereld. Onder de titel Desperate Optimists tonen zij hun werken op zes locaties in de Utrechtse binnenstad.

De desperate kant van de tentoonstellingstitel komt vooral naar voren in het werk van de Oostenrijkse kunstenaar Elke Krystufek (1970). Haar getekende zelfportretten, te zien in Genootschap Kunstliefde, zijn één grote schreeuw om aandacht. Vijftig wat knullig getekende gezichten staren de toeschouwer met grote ogen vanaf de wanden aan. Daaromheen staan openhartige en confronterende teksten geschreven over liefdesperikelen, seks, misbruik en boulimie. De woorden lijken in een opwelling geschreven en, zoals bij een dagboek, direct verslag te doen van een gemoedstoestand. In sommige tekeningen zijn hele passages weggekrast en spat de woede haast van het papier. Net als bijvoorbeeld de Engelse kunstenaar Tracey Emin vertelt Krystufek met een ontwapenende schaamteloosheid over haar problemen en is het de toeschouwer die ontredderd achterblijft.

Niet alle kunstenaars op deze tentoonstelling gaan zo direct op hun persoonlijke leven in als Krystufek. Aernout Mik (1962) vertoont in Huis a/d Werf zijn wonderlijke video Territorium, waarin een groep mensen als zombies door een met schuim gevulde ruimte danst. Een vergelijkbare territoriumdrift heeft zich meester gemaakt van de vrouw die in de video Driver van de Britse Imogen Stidworthy (1964) de binnenkant van een auto onderzoekt. Als een dier dat net in een nieuwe kooi gezet is, tast de schichtige figuur de ruimte af. Het zijn verontrustende beelden, omdat het gedrag van de hoofdrolspelers in beide werken niet verklaard wordt. Gaat het hier om ontspoorde mensen die, zich onbewust van de camera, opgaan in hun eigen wereld? Of zijn het acteurs die de wanhoop van de hedendaagse mens uitbeelden?

Desperate Optimists is een aangrijpende tentoonstelling, met kunstwerken die stuk voor stuk een ontregelende werking hebben. De foto's van de Engelse kunstenaar Christopher Stewart (1966) in De Academiegalerie bijvoorbeeld, tonen beelden van wegvluchtende personen en van mensen die slachtoffer lijken te zijn geworden van geweld. Maar ook bij deze kleurenfoto's wordt niet duidelijk of ze in scène zijn gezet of dat de gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden.

Optimistische gedachten zijn op deze tentoonstelling nauwelijks te bespeuren. Of het moet het optimisme zijn waarmee de Spaanse Tere Recarens (1967) dacht van het dak van haar atelier in P.S.1 (New York) te kunnen springen. Om zich voor te bereiden op haar sprong van de vierde verdieping, nam ze contact op met stunttrainers, oefende ze op luchtkussens, stopte ze met roken en begon ze dagelijks te joggen. Uiteindelijk gaf de directie van het ateliercomplex geen toestemming voor de sprong. Nu hangt er in kunstruimte Casco slechts een poster van P.S.1 met de tekst `I was ready to jump'.

Tentoonstelling: Desperate Optimists, beeldende kunst-programma bij Festival a/d Werf. T/m 27 mei, dagelijks 14-20u. Passepartout ƒ12,50, verkrijgbaar in het Festivalpaviljoen op de Neude, Utrecht. Internet: www.festivalaandewerf.nl

    • Sandra Smallenburg