Niet veel beter dan de moffen

Waarom is de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog niet geleidelijk aan vervaagd? De schaduwen lijken nu eerder zwarter dan lichter. Over de geschiedenis als plaatsvervangende moraal.

HET GESPREK vond plaats op de avond van 13 februari 1948. Een soldaat van mijn onderdeel vertelde mij hoe gewelddadig Nederlandse militairen soms met Indonesische krijgsgevangenen omsprongen. Hij maakte onder meer melding van een `folterkamer' voor verhoren, waar gevangenen met leren riemen werden afgeranseld, elektrische schokken kregen toegediend of met het hoofd omlaag aan één been werden opgehangen. Ook sprak hij over volstrekt willekeurige executies; en hij noemde namen. Het was de eerste keer dat ik zo gedetailleerd van deze dingen hoorde.

Was ik geschokt? Ik kan het mij niet herinneren. Mijn dagboek maakt er geen melding van; het geeft slechts een feitelijk verslag. Een jaar later, in maart 1949, kwam ik in mijn notities op de kwestie terug. Ik gaf nog een paar voorbeelden en sloot af met de opmerking: `Wie zei er iets van de mof?'

Hier wil ik het over hebben: over de hardnekkige neiging, tot op de dag van vandaag,bij de beoordeling van allerlei gedragingen en gebeurtenissen terug te grijpen op de donkerste episode in de geschiedenis van de twintigste eeuw. In Indië werd de vergelijking destijds vaak gemaakt, hoewel ze een dodelijke zelfbeschuldiging inhield. Toen ik in de loop van 1949 informatie verzamelde over excessen, viel het mij op dat door medesoldaten dezelfde uitdrukking werd gebruikt: `we hoeven van de mof niks te zeggen' en: `we zijn niet veel beter dan de moffen'. En in Nederland protesteerde de hoofdredacteur van Vrij Nederland, oud-verzetsman Van Randwijk, tegen de legeracties onder expliciete verwijzing naar de Duitse bezetting. Het CPN-Kamerlid Koejemans ontwaarde bij sommige officieren in Indië een `nazi-mentaliteit'.

Het was te verwachten. Toen ik in oktober 1946 in militaire dienst ging, werden in Neurenberg de nazi-kopstukken opgehangen en terwijl ik overzee was, vond in Tokio het proces plaats tegen de voornaamste Japanse oorlogsmisdadigers. De vergelijking lag voor de hand. Minder voor de hand liggend was haar onbeperkte geldigheidsduur. Twintig jaar nadien, in 1969, barstte een uiterst emotioneel gevoerd excessendebat los en opnieuw was de Duitse tijd een favoriet referentiepunt. Weer twintig jaar later ontketende dr. L. de Jong een tweede excessendiscussie met zijn stelling dat er een vergelijking mogelijk was tussen de Nederlandse oorlogsmisdrijven in Indië en de Duitse en Japanse oorlogsmisdaden. In de definitieve versie van zijn boek nam hij die passage terug, maar op een andere plaats stelde hij dat de bezetting van de Republikeinse hoofdstad Djokja met behulp van een luchtlandingsoperatie – een buitengewoon fraaie militaire prestatie, durf ik te zeggen – hem had doen denken aan `de wijze waarop Nederland in mei '40 door Duitsland was besprongen'.

Ook na een halve eeuw leven we nog altijd in de schaduwen van gisteren, en die schaduwen worden in bepaalde opzichten eerder dieper dan lichter. Het is een raadsel dat me intrigeert en waarvoor ik hier een verklaring zal trachten te vinden. Veel moet daarbij blijven rusten. Dat Adolf Hitler en/of de holocaust overal opduiken – in Cambodja en Rwanda, Irak, Bosnië en Kosovo en onlangs zelfs in Oostenrijk – is vooral verontrustend, omdat het barbaarse verleden op deze manier wordt getrivialiseerd. Politieke retoriek en journalistieke gemakzucht zijn nu eenmaal van alle tijden en onmogelijk uit te roeien. Er zijn steeds weer nieuwe vondsten: de eerste vergelijking tussen Vladimir Poetin en Jozef Stalin is al gemaakt. Zeer verhelderend.

AFKEER

Minder onschuldig is de continue jacht op alles wat aan het Derde Rijk herinnert: een armbeweging, een embleem, een lied, boeken en films. De afkeer is te begrijpen, maar de ijver die Justitie ook in bagatelzaken aan de dag legt, geeft een onplezierig gevoel. Ik zou het on-Nederlands hebben genoemd, als mij niet bijtijds de voetbalclub van Tjilatjap te binnen was geschoten. In 1948 werd een Javaans voetbalteam in Tjilatjap verzocht niet meer in rood-witte kleding te spelen. Elders werd een meisje in rood-witte kleding uit een koninginnestoet verwijderd.

Vooral beschamend is de manier waarop sommige affaires rond personen werden aangekaart en afgehandeld – Aantjes, Stuiveling, Mommersteeg, Delfgaauw en Van Baalen, om het daarbij te laten. Niet alleen omdat het slordig en soms, in het geval van Stuiveling, onterecht gebeurde, maar in het bijzonder omdat de meedogenloze openbare terechtstelling in geen verhouding stond tot de gesignaleerde feiten. Arthur Koestler, die als ex-communist uit ervaring sprak, had er een parabel voor. Bij het laatste oordeel verschijnt voor de opperrechter een man die zijn fortuin aan de armen heeft gegeven en in uiterste soberheid leeft. De aanklager vraagt hem wat hij die dag heeft gegeten. `Een glas melk en een korst brood', is het antwoord. De aanklager staat op en zijn stem dreunt door de rechtszaal: `Een kind stierf in China van honger terwijl hij zijn melk en brood verslond.' De rechter aarzelt niet: `Veroordeeld!'

Veel verrassender is de mobilisatie van het zwarte verleden bij het opdoemen van geheel nieuwe vraagstukken in de samenleving. Een goed voorbeeld biedt de eindeloze discussie over minderheden en multiculturaliteit die telkens weer in de sfeer van `fascisme' en `racisme' wordt getrokken. In de aanvang was er ruim plaats voor een zakelijke beoordeling. Zo waarschuwden antropologen en sociologen in de jaren zeventig voor het eerst voor de problematische gevolgen van de toen zichtbaar wordende toestroom van allochtonen en Rijksgenoten. Entzinger voorzag `Amerikaanse toestanden' en Ellemers wees op de mogelijke ontsporing van de tweede generatie. In de jaren tachtig veranderde het politieke klimaat ingrijpend. De opkomst van enkele extreemrechtse partijen, die een ogenblik de wind leken mee te hebben, deed hier en daar paniek ontstaan. De installatie van een lid van de Centrumpartij in de Amsterdamse gemeenteraad leidde tot een betoging van ongeveer tweehonderd organisaties, gecoördineerd door het comité Geen Fascisten in de Raad. Heel '40-'45 was aanwezig. In de raadszaal werd burgemeester Van Thijn voor `vuile fascist' en `collaborateur' uitgemaakt omdat hij de CP'er niet de deur wees.

De discussie over het bevolkingsvraagstuk in Nederland, al sinds vele jaren gevoerd, werd onmogelijk gemaakt. Nog in 1977 had de Staatscommissie Muntendam een drastische beperking van de immigratie aanbevolen en in 1979 luidde een zinsnede uit de Troonrede `Ons land is vol, ten dele overvol'. Maar het zou niet lang duren of uitdrukkingen zoals `Vol is vol' waren aanleiding tot strafvervolging. Het meest recente debat is aangebonden door de sociaal-democraat Paul Scheffer. Deze discussie verliep in het algemeen geciviliseerd, al slaagde één commentator er toch in Scheffers pleidooi reliëf te geven tegen de achtergrond van de Kristallnacht.

De overheid wist met het probleem van de minderheden van de aanvang af geen raad. Ze volstond met het subsidiëren van een onvoorstelbare hoeveelheid onderzoeksprojecten en het van tijd tot tijd publiceren van volumineuze rapporten waarin het falen van het beleid werd aangetoond. De discussies in de samenleving werden sussend afgedaan of tactisch genegeerd, ook de laatste, die ondanks een stortvloed van commentaren pas na aarzeling op de agenda van de Kamer werd gezet. Wél actief, en zelfs buitengewoon alert, is Justitie. Voor het eerst sinds de oorlog en pas voor de derde keer in de Nederlandse geschiedenis, werd in 1998 een politieke partij door de rechter ontbonden en verboden, een splinterpartij, op sterven na dood. De antidiscriminatiewetgeving is in de afgelopen decennia voortdurend aangescherpt. Rechters tonen zich in toenemende mate actief. Begrippen als `ras' en `cultuur' worden opgerekt en in plaats van uitingen worden veronderstelde bedoelingen afgestraft. Niet alleen kwaadaardige racistische belediging en stemmingmakerij zijn strafbaar – wat voor de hand ligt – maar ook standpunten die aanvankelijk door de overheid werden verkondigd maar inmiddels uit de gratie zijn. Om een voorbeeld te noemen: tot ongeveer 1980 stelde de regering zich op het standpunt dat buitenlanders, `gastarbeiders' immers, naar hun land van herkomst dienden terug te keren. Nadien besloot de overheid dat Nederland een immigratieland was en werd pleiten voor terugkeer niet alleen laakbaar, maar ook strafbaar.

Het donkere verleden van Europa komt tot uiting in verschillende reacties: in ostracisme (het uitstoten van alles en iedereen die met dat verleden kan worden geassocieerd), in systematische dwang (moreel en justitieel) tot conformisme, en in zelfcensuur. Het zijn evenzovele aanwijzingen van een tendentie die wij aanduiden als de historisering van de publieke moraal.

De vraag is hoe deze tendentie moet worden verklaard, in het bijzonder de zelfs toenemende kracht waarmee ze zich in de loop van de tijd manifesteert. Men zou verwachten dat de ontwrichtende ervaring van oorlog en bezetting en de onthullingen die spoedig daarna het beeld van barbaarsheid completeerden, aanvankelijk een verpletterende indruk maakten om daarna, heel geleidelijk wellicht, in de collectieve memorie te vervagen. In werkelijkheid is na de oorlog het tegengestelde gebeurd. Zelfs in joodse kring bestond de neiging er verder het zwijgen toe te doen. Pas later kwam het verleden terug, omdat het werd teruggebracht.

ONDERGANG

Hoewel ook gebeurtenissen als het proces tegen Eichmann ertoe bijdroegen, waren het vooral twee Nederlandse historici die de doorbraak forceerden en in de jaren zestig het oorlogsverleden zodanig krachtig in de herinnering riepen dat het er sindsdien niet meer uit is verdwenen: L. de Jong met zijn televisieserie De Bezetting en J. Presser met zijn boek Ondergang, over de jodenvervolging in Nederland. Het ging in beide gevallen niet om een feitelijke relaas, evenmin om een wetenschappelijke analyse, maar om een moreel appèl aan het Nederlandse volk. De Jong koos met veel dramatiek voor de rol van volksopvoeder die een teken wenste op te richten voor het nageslacht. Presser zag zichzelf, zoals hij het uitdrukte, als `de tolk' van de velen die tot `een eeuwig zwijgen gedoemd', in zijn werk nog eenmaal stem kregen. Beiden maakten op een zeer ruim publiek een overweldigende indruk en werden in de media in bijna extatische bewoordingen geprezen. Toch overheersen de verschillen, in opzet en in uiteindelijk effect.

De Jong biedt typisch nationale geschiedenis, het verhaal van een strijdend en lijdend volk, met een optimistische conclusie; het joodse leed krijgt veel aandacht, maar het blijft een chapiter. Presser daarentegen concentreert zich nu juist op dit ene hoofdstuk, een verhaal van immens leed en fatale ondergang. De eerste voert de lezer mee op een tocht door het vagevuur waaruit Nederland gelouterd herrees, de tweede maakte een helletocht. Nog anders: De Jong schreef nationale heilsgeschiedenis, Presser joodse onheilsgeschiedenis. Het verschil had diepgaande consequenties voor de wijze waarop de kritische generatie van de jaren zestig zich opstelde. De Jong stuitte op weerstand, kreeg verwijten en werd hier en daar zelfs honend bejegend. Presser was door de aard van zijn onderwerp al onkwetsbaar, maar eens te meer door het collectieve schuldbewustzijn dat hij opwekte. Het is dan ook in de jaren zestig dat zich geleidelijk een verschuiving begint af te tekenen in het beeld van oorlog en bezetting. In personen uitgedrukt: Presser won steeds meer terrein op De Jong. De historie van het verzet tegen de Duitse onderdrukking begon meer en meer naar de achtergrond te wijken naarmate het lot van de joden onder de Duitse tirannie dieper in het publieke bewustzijn doordrong.

Daarmee voltrok zich een ingrijpende heroriëntatie in de beleving van de oorlogsjaren. Leed is toegebracht leed: geen slachtoffers zonder daders, geen vermoorden zonder moordenaars, geen massamoord zonder massamoordenaars, medeplichtigen en omstanders. En dus groeide het besef dat er destijds in Nederland iets grondig was misgegaan, iets onherstelbaars was gebeurd, dat alleen kon worden verklaard uit het falen van velen en de onverschilligheid van allen. Tegelijk met de kring van de slachtoffers werd de kring van de daders steeds ruimer getrokken. Kort na de oorlog was alle aandacht geconcentreerd op politieke delinquenten. Vrijwel niemand dacht er toen aan om politiemensen die joden arresteerden of NS-machinisten die joden naar Westenbork hadden vervoerd, aan te klagen en voor de rechter te brengen. Inmiddels is er consensus ontstaan dat ook zij schuldig zijn. Allengs werd de kring nog veel ruimer en ging ten slotte vrijwel de hele oorlogsgeneratie omvatten. In de woorden van Houwink Ten Cate: `De kerken, het Vaticaan, de joodse raden, de hoge ambtenaren, de geallieerden die Auschwitz niet bombardeerden, de regeringen-in-ballingschap, de niet-joodse toeschouwers in het algemeen: geen overheid, geen organisatie, geen mens ontsnapt aan de historici die hun medeplichtigheid of medeplichtige passiviteit aan de kaak stellen.'

De ironie wil dat Ten Cate zelf tot een generatie behoort die de vermenging van geschiedschrijving en moraal afwijst. Het gaat erom, zoals Blom het in 1983 voor het eerst krachtig formuleerde, zich te ontworstelen aan `de ban van goed en fout'. Hij en zijn collega's distantieerden zich niet alleen van De Jong, maar ook, radicaler, van de publieke opwinding die oorlogsherinneringen telkens weer teweegbrachten. Door intellectuele nieuwsgierigheid te verkiezen boven morele verontwaardiging en door te nuanceren waar kloeke oordelen werden gevraagd, trokken deze historici de bezettingsgeschiedenis weg uit het openbare domein en maakten haar tot onderdeel van hun wetenschappelijke preoccupaties.

Zo voltrok zich een scheiding tussen history en memory, tussen het begrijpen en het herdenken van het verleden. Bij herdenken zijn herinnering en morele herbevestiging onontwarbaar verstrengeld. Het is niet toevallig dat de officiële retoriek en symboliek rond monumenten en herdenkingen die aan de Tweede Wereldoorlog zijn gewijd, worden geactualiseerd door eigentijdse verschijnselen als intolerantie en discriminatie in het perspectief van het verleden te plaatsen en daardoor aan de kaak te stellen. In de jaren tachtig begon het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen erop toe te zien dat de Tweede Wereldoorlog op een sterk moraliserende en normenvormende manier in de schoolboeken werd gepresenteerd. Het welzijnsdepartement sloot zich erbij aan met een pleidooi om de jeugd, onder verwijzing naar de Hitlertijd, politiek-moreel te wapenen, aanvankelijk tegen vormen van hedendaags fascisme, later – met de wording van de multiculturele samenleving – tegen racisme. De gevolgen waren niet in alle opzichten gunstig. Doordat de geschiedschrijving en de volksopvoeding uiteen weken, vervaagde het feitelijke beeld van de Tweede Wereldoorlog. Bij alle statusverlies van het verleden als kennisbron, kreeg de oorlog een voorspoedig tweede leven als moreel ijkpunt. Men weet steeds minder, men vindt steeds meer.

HOEKSTEEN

Ietwat parmantig samengevat: het donkere verleden fungeert niet slechts als een toetssteen, maar zelfs als een hoeksteen van onze morele orde. Als er in de afgelopen decennia iets is opgevallen, dan is het wel de continue proliferatie van het begrip `slachtoffer'. Dacht men in de jaren zeventig bij het begrip `oorlogsgetroffene' nog vrijwel uitsluitend aan geïnvalideerde ex-politieke gevangenen en joodse overlevenden, inmiddels worden ook de leden van het voormalig verzet, hier en in Indië eronder begrepen, de Indische kampbewoners en hun kinderen, de ex-dwangarbeiders in Duitsland en de Indiëveteranen, om maar te zwijgen van de vele zogeheten tweede-generatieslachtoffers. Het gevolg is een levendige excuus- en claimcultuur. Gegeven de sterk morele interpretatie van het verleden, wordt de geschiedenis onder toevoeging van spijt en schaamte herschreven en worden de voormalige helden uit de eregalerij verwijderd: Veertig jaar geleden golden Coen en De Ruyter in de ogen van Jan en Annie Romein nog als `erflaters van onze beschaving'; Coen heeft allang afgedaan en van De Ruyter wordt gezegd dat hij iets met de slavenhandel te maken heeft gehad.

Over de oorsprong van dit verbond van moraal en geschiedenis wil ik het bij één opmerking laten. In deze postmoderne tijd is ethisch relativisme de dominante levensfilosofie geworden. De oude religieuze en ideologische normenstelsels zijn in ontbinding geraakt, machteloos geworden of onbruikbaar gebleken. De morele codes die de moderne filosofie in massa levert, spreken elkaar tegen, als ze al zijn te doorgronden. Bij gebrek aan een heldere positieve moraal, kunnen historische ervaringen in ieder geval enkele morele grenzen aanwijzen die niet mogen worden overtreden. Nie wieder!, als een bijna wanhopige poging houvast te vinden in het verleden waar het heden het laat afweten.

Precies daarin ligt het gevaar dat wij in deze voordracht geprobeerd hebben bloot te leggen: morele arrogantie op basis van historische selectiviteit. Simpel gezegd: wat voorgaande generaties hebben gedaan, willen wij voorkomen, maar door hen concreet aan te wijzen, ontwijken we de confrontatie met onszelf.

Het mag in een kerkgebouw wel worden gezegd: er bestaat een oudere traditie die beduidend radicaler is en die stelt dat er in ons allen een potentiële moordenaar schuilt, omdat de mens een zwakke en zondige creatuur is, tot het kwade geneigd. Dat was wat ik begon te begrijpen na het gesprek in de Semarangse kazerne, op de avond van 13 februari 1948.

Dit is de ingekorte tekst van de NWO/OKW-voorjaarslezing die emeritus hoogleraar sociologie J.A.A. van Doorn afgelopen donderdag hield in Amsterdam, onder de titel Belast Verleden. De volledige tekst is te verkrijgen bij NWO in Den Haag: tel. 070 3440640 of email nwo@nwo.nl. De integrale tekst is te lezen via www.nwo.nl.