MOEDER BEÏNVLOEDT ZELFBEHEERSING VAN HAAR PEUTER

Kinderen beginnen met het leren van zelfbeheersing zo ongeveer tussen zes maanden en een jaar oud. Naar de eerste jaren van dit leerproces van deze voor mensen zo cruciale eigenschap is tot nu toe nog weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan. Uit een meerjarig onderzoek naar ruim 100 kinderen blijkt dat concentratievermogen (`focused attention') op de leeftijd van negen maanden samenhangt met de mate van zelfcontrole op een leeftijd van 33 maanden. Ook de mate waarin de moeder openstaat voor het gedrag van het kind blijkt samen te hangen met de mate van zelfcontrole: hoe meer de moeder haar antwoorden en gedrag aanpast aan het kind, des te meer zelfcontrole vertoont het kind, zo ontdekten psychologen van de universiteit van Iowa, onder leiding van Grazyna Kochanska. Meisjes vertonen meer zelfcontrole dan jongens. (Developmental Psychology maart p220-232).

Bij zelfbeheersing (`effortfull control') gaat het soms om de eigenschap die in het dagelijks leven vaak met gehoorzaamheid wordt aangeduid, maar ook om het vermogen de eigen stem te dempen, reacties uit te stellen en meer algemene beheersing van motoriek. De ouders moesten een aantal keren vragenlijsten invullen over hun eigen gedrag en dat van hun kinderen. De kinderen zelf werden door de Iowa-psychologen onderworpen aan een groot aantal testen. Toen de kinderen negen maanden oud waren werd bij hen bijvoorbeeld gemeten hoe lang ze aandacht hadden voor `zachte blokken' die bij hen op het dekentje lagen: kijken en graaien (de maat voor `focused attention'). Ook werden deze baby's gedurende een uur geobserveerd tijdens `gewoon' gedrag met de moeder (dit werd herhaald bij 14 en 22 maanden).

De testen, die altijd als `spelletjes' werden gepresenteerd, waren met 22 en 33 maanden al heel wat uitvoeriger. Het vermogen om gedrag uit stellen werd bijvoorbeeld gemeten door het kind aan een tafel te zetten waarop onder een doorzichtig glas M&M's (een favoriet attribuut bij dit soort experimenten) lagen. Pas wanneer de experimentator met een belletje klingelde, mochten de kinderen het snoepgoed pakken. Tussendoor raakte de experimentator nog even het belletje aan. Bij een andere test moest het kind met de rug naar een tafel zitten waaraan de experimentator een cadeautje voor hem of haar aan het inpakken was, zonder dat het kind mocht kijken. De experimentator ging daarbij ook nog even weg, om een strik te halen. Stiekem kijken of zelfs aanraken van het cadeau is daarbij natuurlijk een maat voor het niet onder controle kunnen houden van het eigen gedrag. En zo gaat het verder. Gemeten werd of het kind bij het samen bouwen van een blokkentoren keurig op zijn of haar beurt wacht, hoe lang het kind (in een `wedstrijdje') een M&M op zijn of haar tong kan houden zonder er op te kauwen (bij de oudere kinderen). Ook moesten kinderen zo langzaam mogelijk over een lijn lopen en werd er gemeten of ze er in slaagden 12 kaarten met cartoonfiguren allemaal fluisterend te benoemen (alleen de ouderen).

Ook sociaal-emotionele reacties werden getest. Het vermogen om boosheid te beheersen werd op die leeftijden bijvoorbeeld gemeten door het kind (door de moeder) plaatsen in een autostoeltje en de riemen strak vast te zetten. Gemeten werden (per 5 seconden): `intensiteit van de worsteling', boosheid van de gezichtsuitdrukking, en vokale uitingen van ongemak (gecodeerd van 0=geen tot 5=volledige intensiteit van schreeuwen). Ook de omgang met vrolijkheid werd gemeten: door het proefkind een humoristische dialoog tussen twee poppen voor te schotelen, waarna de poppen het kind gingen kietelen. Ook werd het kind een minuut alleen gelaten bij een plank met blokken waarvan de moeder hem of haar verboden had ze aan te raken.

Uit allerlei statistische analyses van de uitkomsten van deze testen blijkt onder meer dat dat de kinderen die zich in de `spelletjes' het best konden beheersen ook in de `woede-proef' de meeste controle vertoonden. Het zelfde gold voor de beheersing van vreugdevertoon in de kieteltest en de gehoorzaamheid. Belangrijk voor inzicht in de ontwikkeling van zelfbeheersing is dat niet alleen de zelfbeheersing zelf groter wordt tussen 22 en 33 maanden, maar dat ook de consistentie groter wordt: de uitkomsten van de testen bij 33 maanden hangen nauwer met elkaar samen dan met 22 maanden. En kinderen die hoog scoren op beheersing bij 22 maanden doen dat ook relatief vaak bij 33 maanden.

    • Hendrik Spiering