Mensen kloneren

Het kloneren van mensen is geen populair onderwerp. Bio-ethici vinden het immoreel en onderzoekers onuitvoerbaar. Maar is dat wel zo? De Amerikaanse bio-ethicus Greg Pence denkt daar anders over. Pence is uitzonderlijk. Hij is geen weggelopen priester of bevlogen imam, maar een gewone atheïst. Nog uitzonderlijker is dat hij verstand heeft van biologie. Zijn boek over kloneren: `Who is afraid of human cloning' (Rowman and Littlefield, 1998) geeft niet alleen pittige ethiek, maar ook een vrij goed overzicht van de techniek en de biologie van klonering.

Dat onderzoekers moeite hebben om te geloven in de klonering van mensen, is niet zo vreemd. Klonering van dieren was lang een litanie van mislukkingen. In 1966 slaagde John Gurdon er in om padden te kloneren. Hij verving de celkern van een paddenei door de kern van een darmcel van een kikkervisje. Soms ontstond uit zo'n ruilpaddenei weer een normale pad. Erg vlot liepen deze eerste proeven niet: de ontwikkeling van de kikkervis kwam meestal niet op gang of bleef halverwege steken. Nog storender was dat de klonering alleen lukte met kernen van kikkervisjes en niet van volwassen padden. Daardoor ontstond het idee dat normale lichaamscellen niet bruikbaar zijn voor klonering. Weliswaar bevatten die cellen alle genen voor de constructie van een nieuwe pad, maar kennelijk zijn sommige van die genen zo volledig afgeschakeld dat ze niet meer op gang zijn te krijgen in een eicel. Dat niemand erin slaagde om Gurdons proeven te herhalen met zoogdiereieren, die veel kleiner en kwetsbaarder zijn, was daarom niet zo vreemd.

De geboorte van schaap Dolly begin 1999 werd dan ook met scepsis begroet. Schotse onderzoekers hadden kernen van melkkliercellen van een volwassen schaap gebruikt voor hun kloneringsproeven en 1 van de 277 pogingen was met succes bekroond. Ongeloof alom. Eén ei is géén ei, dachten veel onderzoekers, en ook in de beste laboratoria wordt wel eens een foutje gemaakt. Inmiddels weten we beter. Na Dolly verscheen Polly en er zijn nu muizen, kalveren en biggen gekloneerd. Ook de efficiency van het kloneringsproces verbetert. Kortom, klonering van zoogdieren is uitvoerbaar en er is geen reden om te denken dat klonering niet zou kunnen bij mensen.

Greg Pence ging nog een stap verder in een recente voordracht. Hij denkt dat er ergens ter wereld al pogingen gedaan worden om mensen te kloneren, bijvoorbeeld in ontwikkelingslanden. Kloneringsproeven zijn goedkoop en dit is een mooie kans voor Noord-Koreaanse of Libische geleerden om te laten zien dat zij niet onderdoen voor hun Amerikaanse collegae. De onmisbare Gaddafi zal zichzelf ook graag gereproduceerd zien.

Greg Pence ligt niet wakker van dit vooruitzicht. Hij vindt zelfs bijna alle argumenten tegen klonering bio-ethische of biologische onzin. Dat gekloneerde mensen geen eigen identiteit (ziel?) zullen hebben maar minderwaardige stencils zullen zijn van de donor, is onjuist. Eéneiige tweelingen hebben ook een eigen identiteit. Ze zijn genetisch bijna identiek, maar ongelijk door verschillen in ontwikkeling en opvoeding. Mensen zijn geen wurmen of fruitvliegen, die genetisch zijn geprogrammeerd en die niets bijleren. De meest interessante eigenschappen van mensen ontstaan door interactie van aanleg en omgeving, nature en nurture. Het fenotype van mensen is niet gelijk aan het genotype.

Veel bezwaren tegen het kloneren van mensen hebben een hoog déja vu-gehalte. De onnatuurlijkheid van klonering is eerder aangevoerd tegen in-vitrofertilisatie (IVF). Onnatuurlijkheid is echt een flut argument. Ons hele geciviliseerde bestaan is onnatuurlijk. Geneeskunde is volstrekt onnatuurlijk. De gepostuleerde minderwaardigheid van gekloneerde mensen doet denken aan de discussie over kinderen uit gemengde huwelijken. Menging zou misbaksels geven. Ook dat is onzin gebleken. Het maakt niet uit hoe mensen ontstaan; mensen zijn mensen. Als Iemand er een ziel op wil plakken, kan dat ook in de reageerbuis.

Ook de (nog) lage efficiency van klonering ziet Pence niet als een probleem. Normale bevruchting is ook niet efficiënt. Van de menselijke embryo's die bij een standaard coïtus ontstaan, redt de helft het niet. Bij IVF is het succespercentage maar 20 procent. Verspilling van eicellen (of zaadcellen) is geen ethisch probleem. Eicellen zijn cellen, geen mensen. Wie daar anders over denkt is blijven steken in de 17de eeuw, toen men dacht dat er een klein opgevouwen mannetje of vrouwtje (homunculus) in iedere zaadcel zat.

Pence is ook niet bang dat kinderen in een keurslijf worden geperst, omdat hun ouders een tweede Johan Cruijff willen. Gesteld al dat Johan zijn cellen beschikbaar wil stellen, dan nog blijft gelden dat genotype nog geen fenotype is. Johan 2 is vast even tegendraads als Johan 1. Hij wil niet voetballen, maar balletdansen, wat pa ook zegt. Neurotische vaders drijven ook nu hun zoontjes al tegen heug en meug naar het voetbalveld. Daar hebben ze geen Johan 2 voor nodig. Ouders hebben nu eenmaal verwachtingen van hun kinderen. Overspannen verwachtingen van gekloneerde kinderen zouden door opvoeding (genotype is geen fenotype), niet door verboden moeten worden weggenomen.

Kinderen krijgen is een privé-aangelegenheid; de staat moet zich daar buitenhouden, vindt Pence. Dezelfde discussie is gevoerd bij prenatale diagnostiek. Er moesten strenge regels komen; anders zouden ouders voor ieder wissewasje een abortus laten doen. Dat zijn typisch angstvisioenen van ongehuwde prelaten. Ouders zijn niet gek. Om Hans Galjaard, die werkelijk weet wat er speelt, nog maar eens aan te halen: ``Mijn pleidooi is dat de overheid zo terughoudend mogelijk moet zijn met regelgeving, gebaseerd op ethische overwegingen in situaties van leven en dood. Wie de ernst van besluitvorming van a.s. ouders heeft ervaren en heeft gezien hoe zorgvuldig hun overwegingen zijn, beseft dat regelgeving meestal niet nodig is. Bovendien geeft regelgeving onvoldoende ruimte aan de verscheidenheid tussen mensen'' (In: Wetenschap en Ethiek, KNAW, 1995).

Pence vindt regelgeving schieten met een kanon op een mug. Als ooit een medisch verantwoorde kloneringsprocedure wordt ontwikkeld, zal daar hoogst spaarzaam gebruik van worden gemaakt. Gewoon kinderen krijgen is nu eenmaal eenvoudiger en prettiger. Echtparen gaan door de ellende van een IVF-behandeling, omdat er geen andere weg meer is naar eigen kinderen. Klonering is een ingewikkeld soort IVF-behandeling. Niemand zal daar achteloos aan beginnen.

Als politici dan zo nodig willen ingrijpen bij het kinderen krijgen, laten ze dan eerst de echte problemen aanpakken, vindt Pence: zwangere vrouwen die roken, drinken of drugs gebruiken. De schade die daardoor wordt aangericht staat vast en daar worden miljoenen kinderen aan blootgesteld. Slechte scholen in achterstandsbuurten, nog een goed politiek onderwerp. Ongewenste kinderen door slecht beschikbare contraceptie is een derde voorbeeld.

Het is een verademing om eens een bio-ethicus tegen te komen met een nuchtere, beredeneerde kijk op ethische problemen. Pence ziet niets in `gut-feeling' als basis voor morele afweging. Zo'n intuïtief oordeel is waarschijnlijk gebaseerd op oudbakken (bij)geloof, verknipte ideeën over seksualiteit en lichaamsfuncties, of op gebruiken die lang geleden nodig waren voor de menselijke overleving onder benarde omstandigheden. Logisch beredeneerd vanuit de belangen van ouders en kind, ziet Pence geen ethische bezwaren tegen klonering.

Alleen de biologische problemen bij klonering worden door Pence wel erg luchtig afgedaan. Eigenlijk weten we nog steeds niet zeker of die kern van Gaddafi wel even goed werkt als een echte eicelkern. Krijgen Gaddafi 2-10 dezelfde levensverwachting als Gaddafi 1? Wat is de kans dat er toch meer fouten in het DNA van de lichaamscellen van een oude dictator zitten, dan in kiembaancellen? Neemt de kans op ernstige aangeboren afwijkingen of ontwikkelingsstoornissen niet sterk toe bij klonering? Meer fundamenteel onderzoek is nodig om hier uitsluitsel over te krijgen. Dat onderzoek zou niet gehinderd moeten worden door onnodige wettelijke beperkingen.