Medische kongsi

Toen 25 jaar geleden het eerste nummer van het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis verscheen, werd het beschouwd als een verlengstuk van de klassenstrijd. Het kon geen toeval zijn dat in het openingsnummer de twee artikelen over de socialistische beweging handelden. Inhoud en strekking van het tijdschrift hebben de voorbije kwart eeuw een sterke verandering ondergaan. Het is geëvolueerd tot een orgaan met ruimte voor bijdragen over sociale geschiedenis in de meest brede zin van het woord. Een duidelijk voorbeeld van deze koerswijziging biedt het onlangs verschenen themanummer waarin een drietal gastredacteuren het onderwerp `de medische markt' uitspitte. Door de gezondheidszorg te bezien als een markt waarop de vraag naar en het aanbod van zorg samenkomen, wordt men gedwongen buiten de grenzen van de klassieke medische geschiedenis te treden. Op de `gezondheidsmarkt' wordt immers veel meer aangeboden dan alleen de wetenschappelijk onderbouwde medische zorg.

Er is de laatste jaren veel belangstelling voor medisch-historisch onderzoek `van onderop', dat wil zeggen: uit het perspectief van de patiënt. Wat ondernamen mensen in het verleden voor het behoud en herstel van hun gezondheid en welke keuzen konden ze maken? Deze benadering houdt ook in dat de medische `marge' uit de afgelopen eeuwen onderzocht werd: onbevoegde genezers en afwijkende geneeswijzen.

De auteurs die bijdragen aan dit themanummer leverden verzetten zich tegen het ingeburgerde idee dat door een combinatie van verbeterde behandelmethoden en een medische wetgeving, die het behandelmonopolie toekende aan artsen, de patiënt vanaf de late negentiende eeuw niet langer `rondwinkelde' op de medische markt, maar zijn vertrouwen definitief aan de reguliere genezer en diens therapieën schonk. Zij maken in hun bijdragen aannemelijk dat dit een onjuiste voorstelling van zaken is, die voortkomt uit een overwaardering van de effecten van zowel wetgeving als van de medische wetenschap. Bij consultatie en genezing kunnen ook vele anderen een rol spelen dan alleen de arts, zoals de diagnoses van de buurvrouw, de medicamenten slijtende apotheker, de homeopaat, de strijker of de gebedsgenezer. De auteurs erkennen dat de invloed van de overheid de laatste 150 jaar is toegenomen, maar dat die de medische markt niet heeft doen verdwijnen. De overheid heeft slechts de spelregels veranderd.

In vier case-studies wordt ingegaan op het politieke debat over de Ongevallenwet, de klein- c.q. grootschaligheid van het Nederlandse ziekenhuiswezen, de aantrekkingskracht van onorthodoxe vormen van geneeskunde en de veranderingen die zich in de farmaceutische industrie hebben voorgedaan. Vooral in deze laatste bijdrage (van Frank Huisman) wordt in een heldere casus duidelijk gemaakt wat de meerwaarde van de marktgerichte invalshoek is. Huisman laat zien hoe apothekers, van oudsher de belangrijkste geneesmiddelenbereiders, er met de opkomst van de chemie vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een belangrijke concurrent bij kregen. Vanaf dat moment gingen drogisten door anderen vervaardigde geneesmiddelen (of wat daar voor doorging) verkopen. De productie en distributie van geneesmiddelen door anderen dan apothekers kreeg een belangrijke stimulans door de afschaffing van het dagbladzegel in 1869. Hierdoor werd de krant goedkoper en bereikten advertenties een ruimer publiek. Vooral producenten van geneesmiddelen ontdekten dit gat in de markt.

Voorwaarde voor een effectieve reclame was de bescherming van merken, zowel van de naam van het artikel als van het beeldmerk van de producent. Daarin voorzag de Merkenwet, die in 1880 van kracht werd. Alleen al in het eerste jaar werd een enorme hoeveelheid middelen geregistreerd. Een kleine greep: pijnolie, purgerende thee, levenselixers, ijzerhoudende jodiumpillen, broomkamferpillen, tandwaters, drop- en zuiveringskoekjes, terpetijncapsules, vleesbestanddelenhoudende wijn en kininesulfaat. Vanaf 1881 konden ondernemingen zich - met de merkenwet in de hand - beschermen tegen de concurrentie van apothekers en andere mededingers. De traditionele apothekers verweerden zich natuurlijk tegen de stortvloed aan industrieel bereide middelen die de Nederlandse markt overspoelden: het is geen toeval dat de `Vereniging tegen de Kwakzalverij' eveneens in 1880 werd opgericht.

De industrie liet zich in het begin vooral leiden door commerciële motieven. Maar geleidelijk tekende zich bij een aantal fabrikanten een kentering af. Ze raakten ervan overtuigd dat een `wetenschappelijk' profiel de commerciële belangen niet in de weg hoefde te staan. Sommige fabrikanten introduceerden daarop het onderscheid tussen ethische en onethische producenten.

Terwijl de nieuwe industrie aan het eind van de negentiende eeuw nog als een enorme bedreiging was beschouwd, heeft zich later geleidelijk een bondgenootschap tussen artsen, apothekers en een deel van de industrie ontwikkeld. Hun bindend element was de wetenschap. Het was dus de doelbewust en kunstmatig geconstrueerde tweedeling tussen ethisch en onethisch en wetenschap en non-wetenschap die een uitweg bood uit de impasse tussen artsen en apothekers aan de ene kant en de industrie aan de andere kant.

Waar de traditionele geschiedschrijving, zo sluit Huisman zijn bijdrage af, medische vooruitgang of voortschrijdende professionalisering ziet, laat het medisch marktmodel zien hoe sommige groepen besloten zich met elkaar te associëren en anderen buiten te sluiten. Aldus wordt het beeld van de lineaire ontwikkeling van de geneeskunde vervangen door dat van de meerdimensionale structurering van de gezondheidsmarkt.

W. de Blécourt, e.a., red., De medische markt in Nederland, 1850-1950. Themanummer van Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jaargang 25 [1999], nr. 4. Abonnementen [ƒ75,-]of losse nummers [ƒ25,-] bij: Uitgeverij Verloren, Postbus 1741, 1200 BS Hilversum, tel. 035-6859856.

    • Cor van der Heijden